the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Samuel Beckett
Dublin 13 april 1906 - Parijs 22 dec. 1989 • Iers auteur, in het Frans en in het Engels


foto: John Minihan

zoek in hele site:


the ledge - flash versie*

*

De van Dublin naar Parijs geëmigreerde Beckett (Nobelprijswinnaar in 1969) is vooral bekend door absurdistische toneelstukken als En attendant Godot (1952) en Happy Days (1962). Maar zijn prozawerken vormen een niet minder cruciaal onderdeel van zijn oeuvre.

Beckett studeerde van 1923 tot eind 1927 ‘Arts’ aan Trinity College in Dublin en volgde vakken als Frans, Italiaans, wiskunde, Latijn en Engelse letterkunde. Ook raakte hij geïnteresseerd in modern toneel van de hand van onder meer Sean O’Casey, W.B. Yeats en met name J.M. Synge. Beckett bezocht daarnaast regelmatig films van de Marx Brothers, Charlie Chaplin en Buster Keaton, die zijn toneelwerk zouden beïnvloeden in thematiek (eenzame, gemankeerde zwerver tegenover grote boze buitenwereld) en vormgeving (slapstick-elementen, kleding van de personages).

Begin november 1928 begon Beckett als docent Engels aan het Ecole Normale Supérieure, Parijs. Hij maakte kennis met James Joyce, van wie hij een groot bewonderaar werd. Becketts band met Joyce zou hem met name in de jaren dertig parten spelen bij het vinden van zijn eigen stem: het leek onmogelijk van hem los te komen.
Door onder anderen Joyce daartoe aangemoedigd, begon Beckett met schrijven. Hij debuteerde in 1929 met een kort verhaal, ‘Assumption’, dat naast zijn essay getiteld ‘Dante...Bruno. Vico..Joyce’ over Joyce’s ‘Work in Progress’ (in 1939 gepubliceerd als Finnegans Wake) werd gepubliceerd in het Parijse avant-garde tijdschrift transition. Van zijn vroege werk is dit verhaal misschien wel het minst ‘Joyceaans’ – Joyce’s aanwezigheid in Becketts latere werk uit de jaren dertig is duidelijker, pijnlijker ook: we zien de volstrekt originele kunstenaar Beckett worstelen met de greep die de volstrekt originele kunstenaar Joyce op hem had.

In 1930 won Beckett zijn eerste literaire prijs, voor het lange gedicht Whoroscope, waarin Descartes de hoofdrol speelt. In 1931 verscheen zijn studie over Proust. In datzelfde jaar begon Beckett aan zijn eerste roman, Dream of Fair to Middling Women. Het boek zou pas in 1992 worden gepubliceerd. Dream is heel sterk een expliciet ‘intellectueel’ boek, waarin Beckett een overdaad aan invloeden op zijn denken heeft verstopt. Beckett gebruikte elementen, personages en hoofdstukken uit Dream in zijn verhalenbundel More Pricks Than Kicks (1934). De verhalen spelen zich af in Dublin en worden bijeen gehouden door de hoofdpersoon Belacqua (dezelfde als in Dream; genoemd naar de aartsluiaard uit Dante’s Heilige Komedie die zijn straf ondergaat in het voorportaal van het Vagevuur).

In 1935 verscheen de dichtbundel Echo’s Bones and Other Precipitates, in een beperkte, door de auteur zelf bekostigde oplage (327 exemplaren). Beckett zou zijn hele leven poëzie blijven schrijven (verzameld in Poems in English, 1961 en Collected Poems in English and French, 1977). Over de plaats van zijn poëzie in zijn oeuvre en de kwaliteit van het corpus valt te twisten, maar zijn beste gedichten behoren op z’n minst tot de meest veelzeggende ‘Beckettiaanse’ teksten die er zijn.

Murphy (1938) is in verhouding tot Dream een tamelijk rechttoe-rechtaan roman, waarin de wereld vanuit de nihilistische blik van de geestelijk verwarde hoofdpersoon – die echter niet zo verward is dat hij niet in staat is, als balsem voor zijn eigen ziel, in een inrichting voor geestelijk gestoorden te gaan werken – wordt beschouwd.

In 1942 moest Beckett, die voor de Franse ondergrondse koerierswerk had gedaan, vluchten naar de Rousillon, nadat zijn ‘cel’ was verraden. Op zijn onderduikadres schreef hij de roman Watt, dat lange tijd het laatste werk zou zijn dat hij direct in het Engels schreef. Watt, geschreven ‘om niet gek te worden’ – wat misschien deels de gekte van het boek verklaart – vertelt het verhaal van Watt: een verwarde, in zichzelf gekeerde man van onbestemde leeftijd treedt na een korte reis per trein in dienst bij meneer Knott, waar hij de plaats van huisknecht Arsene inneemt en na verloop van tijd weer vertrekt. Watt boek markeert de overgang tussen de werken uit de jaren dertig waarin Beckett nog bezig is een eigen stem te zoeken (More Pricks Than Kicks, Dream of Fair to Middling Women, Murphy), en de werken uit de late jaren veertig (En attendant Godot, de romantrilogie Molloy, Malone meurt en L’innommable) waarin zijn eigen stem luid en duidelijk klinkt, en die zijn doorbraak betekenden.

Tussen 1951 en 1959 publiceerde Beckett de proza-‘trilogie’ Molloy (1951, Engelse vertaling onder dezelfde titel 1955), Malone meurt (1951, Malone Dies, 1958) en L’Innommable (1953, The Unnammable, 1959). Deze werken, waaraan hij eind jaren veertig begon, schreef hij direct in het Frans. Het zijn in essentie kaal gestileerde monologen waaruit de eenzaamheid van de mens en de zinloosheid van het leven naar voren komen. In Molloy maken we kennis met een bedlegerige man en een privé-detective die hem moet zien te vinden. In Malone meurt / Malone Dies doet een man – steeds minder samenhangend – verslag van zijn sterfbed. In L’innommable / The Unnamable probeert een figuur zonder identiteit uit vinden wie hij is.

Becketts doorbraak als romancier valt in het niet bij de impact die zijn toneelstuk En attendant Godot, geschreven tussen oktober 1948 en februari 1949, in 1952 betekende. (Becketts Engelse vertaling Waiting for Godot verscheen in 1956.) De première vond plaats op 3 januari 1953. Over de betekenis van het stuk raakt men niet uitgespeculeerd; over de actuele waarde van het stuk bestaat geen twijfel – het wordt van alle moderne stukken dan ook nog steeds het
meest gespeeld, overal ter wereld. Maar wat gebeurt er eigenlijk in het stuk? ‘Twee mannen wachten langs de kant van een landweg. Waar wachten ze op? Op iemand die ze uit hun bestaan kan bevrijden: als Godot komt, dan kunnen ze, denken ze, in het hooi slapen in plaats van in een greppel. Dan worden ze niet meer aangevallen door vreemden, dan kunnen ze genoeg eten, in plaats van alleen rauwe wortel.’ (Matthijs Engelberts, Het Beckett blad 26, winter 2004). Het internationale succes van Godot stond Beckett toe voor het eerst in zijn leven in betrekkelijke financiële zorgeloosheid aan zijn verdere oeuvre te werken. Hij zou zich de eerstvolgende jaren vooral met theater bezig houden: in 1957 volgde Fin de Partie (Endgame, 1958), dat misschien nog wel sterker dat Godot het zinloze bestaan in een voor ieder lege wereld schetst. In 1959 verscheen Krapp’s Last Tape, een van de belangrijkste stukken uit zijn oeuvre; in zijn vorm (monoloog van een man) misschien wel de toneelpendant van de proza-trilogie uit de jaren vijftig en de prozatekst Comment c’est (1961).

In de jaren vijftig en zestig schreef Beckett ook korte experimentele theaterstukken (‘Acte sans paroles I’, 1957; ‘Rough for Theatre’ I en II, 1958) en hoorspelen (‘All That Fall’, 1957; ‘Embers’, 1959; ‘Rough for Radio’ I en II, 1961 en 1962; ‘Cascando’, 1963); ‘grotere’ werken waren de toneelstukken Krapp’s Last Tape en Happy Days, en verhalen als Imagination morte imaginez (1965, de vertaling Imagination Dead Imagine maakte hij in hetzelfde jaar – Beckett was zijn eigen vertaler / bewerker, wat zijn tweetalige oeuvre een interessante, complexe dimensie geeft).

De ‘roman’ Comment c’est verscheen in 1961 (How It Is, 1964). Het is een van Becketts meest ontoegankelijke boeken. Een man sleept zich voort door de modder, zijn leven trekt in lange, meanderende, interpunctieloze ‘verzen’ aan hem voorbij.

Happy Days (1962) wordt met Godot en Fin de partie wel als Becketts ‘toneeltrilogie’ beschouwd. Het stuk is een van de eerste vrouwelijke toneelmonologen van Becketts hand. In 1963 maakte Beckett een uitstapje: hij schreef het scenario voor een film getiteld Film, die in zijn aanwezigheid in 1964 in New York werd verfilmd door regisseur Alan Schneider, met in de hoofdrol Buster Keaton. Naast een filmscenario schreef Beckett ook werk voor televisie. Come and Go (1967), Ghost Trio en …but the clouds… (1976), en Quad en Nacht und Träume (1984). Ook werden veel van zijn korte stukken succesvol verfilmd door met name de Duitse en Britse televisie: de besloten ruimten waar veel van zijn stukken zich afspelen en de minimale bezetting en aankleding van de stukken maakten ze bij uitstek geschikt voor televisiebewerkingen.

Beckett bleef in de jaren zestig en begin jaren zeventig ook korte verhalen schrijven, waarvan de meeste worden verzameld in de bundels Têtes mortes / No’s Knife (1967) en Pour finir encore et autre foirades / For To End Yet Again and Other Fizzles (1976). Langere prozawerken die hij in deze periode schreef zijn onder andere Sans (1969; Lessness, 1970), het beklemmende Le Dépeupleur (1970; The Lost Ones, 1974), Still (1974), As the Story Was Told (1975) en All Strange Away (1976). In dezelfde periode worden zijn theaterstukken korter en korter, maar niet minder veelzeggend. Hoogtepunten uit deze periode zijn Not I (1973), waarin een vrouwenmond in een monoloog een dialoog met haar verleden aangaat, en Footfalls (1976), waarin een in lompen gehulde vrouw en haar dochter, heen en weer schrijdend over een uitgelicht vlak van negen passen bij een meter de relatie die ze tot elkaar hebben uitbenen.

Naast minimalistische maar in zeggingskracht overweldigende eenakters als A Piece of Monologue (1979), Rockabye (1981), Ohio Impromptu (1982) en Catastrophe (1982, Engelse vertaling 1984, geschreven voor politiek gevangene Vaclav Havel), schreef Beckett tussen 1979 en 1983 wat wel zijn ‘tweede prozatrilogie’ wordt genoemd: Company (1979), Mal vu mal dit (1981), Ill Seen Ill Said (1982) en Worstward Ho (1983). Company is een persoonlijke, semi-autobiografische schets van Becketts jeugd. In Mal vu mal dit wordt opnieuw een vrouw getoond; steeds meer gaat Becketts werk expliciet over de onmogelijkheid uit te drukken wat men zou willen uitdrukken, over hoe de werkelijkheid aan de taal ontglipt. In die zin is Worstward Ho misschien wel het sterkste werk uit deze laatste periode van Becketts leven: aan het falen, het opnieuw proberen, het opnieuw (maar nu beter) falen een betekenis onder woorden te brengen wordt in cyclische, elkaar overlappende en herhalende formuleringen vorm geven. Ook in zijn laatste teksten grijpt Beckett terug op dit thema, dat een belangrijk deel van zijn oeuvre beheerst: in 1988 verschijnt nog Stirrings Still en in 1989 Comment dire (What is the Word) – veelzeggender kan bijna niet. Op 22 december 1989 deed Beckett zelf er helemaal het zwijgen toe.

Beckett had als jonge schrijver erg zijn best moeten doen om uit de schaduw van de woordkunstenaar Joyce te stappen, voor wie geen woord achterwege hoefde te blijven als dat de meerduidigheid van Finnegans Wake ten goede kwam. De kracht van Becketts oeuvre schuilt vooral in de wijze waarop hij met steeds minder woorden zo veel mogelijk zegt en dat daar, hoe gering ook, ons welslagen in verborgen zit. Niet de naakte, eenzame mens in het gezicht van de dood is zijn thema, maar de grimlach waarmee deze mens zijn lot bespiegelt.

- Onno Kosters
schema  
HET OEUVRE VAN SAMUEL BECKETT:

Naamloos
1953
Deel III uit de Trilogie. Een man zonder identiteit probeert uit te vinden wie hij is.
Watt
Written circa 1943, published 1953
–› Boekfragment

Watt vertelt het verhaal van Watt: een verwarde, in zichzelf gekeerde man die na een korte treinreis als huisknecht in dienst treedt bij de mysterieuze meneer Knott.
Malone sterft
1951
Deel II uit de Trilogie. Een man doet verslag - steeds minder samenhangend - van zijn sterfbed.
Molloy
1947 (published in 1951)
Deel I van Becketts romantrilogie over de vervreemding van individuen van hun omgeving: een oude, geestelijk beperkte man vult zijn laatste jaren met praten over de futiele dingen die hij doet.
Hoeroscoop
1930
Becketts gedicht met als thema 'de tijd', geschreven n.a.v. een prijsvraag uitgeschreven door Nancy Cunards Hours Press (Parijs). Hoofdrol weggelegd voor Rene Descartes. Obscuur-filosofische poëzie alsmede een parodie (inclusief onnavolgbare noten) op Eliots The Waste Land.
[More Pricks Than Kicks]
1934
Verzameling korte verhalen spelend in Dublin in de jaren 20, met in de hoofdrol de student Belacqua.
[That Time]
1976
Oude man overziet (vanaf zijn sterfbed?) zijn leven, zijn herinneringen uit drie perioden van zijn leven worden hem door drie stemmen ingefluisterd.
Murphy
1938
Fragmentarische beschrijving van een levensperiode van een flegmatische, filosofisch aangelegde man, uitmondend in diens dood.
Droom van matig tot mooie vrouwen
1932 (first published in 1992)
Een indolente man streeft een soort mystieke onaandoenlijkheid na: rust, stilte en los zijn van begeerte. Maar de vrouwen met wie hij vriendschappen aangaat belagen hem met erotische verlangens.
Wachten op Godot
1952
Toneelstuk over twee aan lager wal geraakte heren die vergeefs uitzien naar de inlossing van hun verwachtingen.
Krapp's laatste band
1959
Toneelstuk. Een oude man overziet zijn leven terwijl hij luistert naar bandopnames die hij dertig jaar geleden van zichzelf maakte.
Hoe het is
1961
Prozatekst die in korte, interpunctieloze alinea's de monoloog van een personage op weg door de modder naar zijn onafwendbare einde vertolkt.
Eindspel
1957
Eenakter voor vier volstrekt aan elkaar overgeleverde personages: de aan zijn rolstoel gekluisterde Hamm, zijn lamme knecht Clov en zijn ouders Nagg en Nell, die in vuilnisbakken wonen. De buitenwereld is (de) dood.
Gelukkige dagen
1961
Tweeakter. Een tot haar middel en in het tweede bedrijf tot haar nek ingegraven vrouw en haar onzichtbare echtgenoot overzien de 'gelukkige tijd' die ze met elkaar hadden.
[Not I]
1973
Eenakter met in de hoofdrol een sprekende vrouwenmond - het enige op het toneel uitgelichte element. Zoals een criticus schreef: 'Als Molly Bloom de bevestiging van het leven en de bekrachtiging van de vrouwelijke identiteit is, dan is Not I het tegenovergestelde.'
[Ohio Impromptu]
1981
Eenakter voor aan tafel gezeten, identiek geklede - lange zwarte mantel, breedgerande hoed - voorlezer en toehoorder, die de voorlezing (een 'sad tale') onderbreekt en weer in gang zet met een klop op de tafel. Becketts ode aan zijn vriendschap met Joyce in de jaren dertig.
Slecht gezien, slecht gezegd
1981
Novelle. De schrijver neemt de lezer bij de hand en samen observeren ze nauwgezet een oude vrouw bij haar krot in een kaal landschap. Deze observaties zijn zo gedetailleerd verwoord dat de lezer er niet in zal slagen grip te krijgen op het geheel.
Gezelschap
1980
Mijmeringen van iemand die naar gezelschap zoekt en daartoe zich van alles inbeeldt om 'samen' te kunnen zijn.
Ten slechtste gekeerd
1983
Over de pijn van het menselijk tekort.
Verroeren
1988
Tekst over een oude man die zich in het zicht van de dood afvraagt of het nog zin heeft in beweging te komen.
:
noot maken
naam:

noot


Code (above)


The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn
 

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.