the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
James Joyce
Dublin 2 febr. 1882 - Zürich 13 jan. 1941 • Iers dichter en romanschrijver

zoek in hele site:


the ledge - flash versie*

*

Biografictie of mythografie: Leven, en werk van James Joyce

Het gevaar schuilt in al te mooie identificaties.
Samuel Beckett, ‘Dante…Bruno. Vico..Joyce.’

Preparatory to anything else (Ulysses)
In een recente biografie van James Joyce (Dublin 1882-Zürich 1941) schrijft Morris Beja: ‘Weinig kunstenaars hebben in zo’n mate - op zo heldere wijze en in zulk detail - de stof van hun eigen leven gebruikt bij het weven van hun ficties.’ En Joyce zelf zei, tegen zijn vriend Frank Budgen, die de biografie van een man en zijn boek schreef (James Joyce and the Making of Ulysses): ‘Verbeelding staat gelijk aan herinnering.’

Joyce’ werk is, toepasselijk genoeg, het in een serie kubistische lachspiegels vervormde zelfportret van de kunstenaar als mens: als kleuter, schooljongen, puber, jongeman, student, vriend, minnaar, vijand, balling, leraar, schrijver, zakenman, kunstenaar, rijmelaar, humanist, musicus, echtgenoot, dronkaard, vader, opa, stervende, dode. Enzovoort. Niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde. Daarnaast hebben zijn werken en de voor een belangrijk deel door hemzelf georkestreerde eerste receptie ervan, alsmede de illustere status die hij gedurende de jaren twintig en dertig kreeg, al tijdens zijn leven een mythe van hem gemaakt.

Een biografisch portret van Joyce, waarbij je je niet baseert op zijn werk, is dan ook geen sinecure. Zijn werk is een verleidelijke bron voor het traceren van zijn levenspad; en vooral het leven van de jonge Joyce is een rijke, mild-giftige bron van interpretaties van zijn werk. Het ligt immers voor de hand de figuur Stephen Dedalus uit A Portrait of the Artist As a Young Man en Ulysses te identificeren met de auteur-in-wording: een ambitieuze jongeman die er van meet af aan alles aan doet om toekomstige professoren eeuwenlang bezig te gaan houden, om zo zijn onsterflijkheid te bewerkstelligen… Maar ook andere personages zijn ogenschijnlijk versies van mensen die werkelijk hebben bestaan: Molly Bloom zou Joyce’ vrouw Nora Barnacle zijn (nee, zei Nora zelf: Molly was veel dikker); de vlezige maar desalniettemin kwikzilveren Buck Mulligan was gebaseerd op Joyce’ Dubliner vriend Oliver St John Gogarty, en zo nog veel verder voort - een van de reden voor de uitgever Maunsel uit Dublin om Joyce’ verhalenbundel niet te willen uitgeven, was dat er te veel echte Dubliners, of als echte Dubliners herkenbare karakters in voorkwamen.

Met andere woorden: verdacht veel uit Joyce’ werk houdt innig verband met zijn leven, en omgekeerd. En Joyce wist dat heel goed. De schrijver zette zichzelf in Finnegans Wake neer als iemand die schrijft ‘over’ (in de betekenis van zowel ‘op’ als ‘met als onderwerp’) ‘every square inch of the only foolscap available, his own body’ (foolscap: narren- of zottenkap, maar ook een vel foliopapier). Autobiografisch georiënteerde lezingen van zijn werk lijken dan ook wel degelijk onderdeel van Joyce’ grote project geweest. We weten dat hij zich op tamelijk jonge leeftijd al de naam ‘Stephen Daedalus’ aanmat (met ‘ae’, zoals in de lijvige voorstudie van A Portrait… getiteld Stephen Hero, dat postuum, in 1946, werd gepubliceerd). Ook ondertekende hij nogal wat brieven en voorpublicaties van verhalen die later in Dubliners terecht zouden komen met die naam. Bovendien, hebben al die biografen ons niet altijd zelf wijsgemaakt dat in de figuur Stephen D(a)edalus de kunstenaar is te herkennen, net als in Shem the Penman uit Finnegans Wake (en broer Stanislaus in Shaun the Post)? En die biografen hadden het weer uit brieven en andere documenten die wel voor ‘de eerste hand’ doorgaan, en u Stanislaus’ dagboeken en diens biografie van zijn broer My Brother’s Keeper. Sommigen hadden het zelfs van Joyce zelf: Herbert Gormans versie van het leven van Joyce (1939) werd hem door de fabulator zelve in hoogsteigen persoon welhaast letter voor letter ingefluisterd.

Kortom: wie hebben eigenlijk Joyce’ biografie geschreven, anders dan Joyce zelf?

Zoals het voor Joyce onmogelijk was om zijn werk te schrijven zonder uit zijn eigen leven te putten - en voor welke schrijver geldt dat niet? - is het inderdaad onmogelijk om te schrijven over Joyce’ leven zonder zijn werk erin te betrekken. Degene die als zoveelste de pen met dat doel ter hand neemt, moet zich realiseren dat Joyce je in zijn werk stukjes van zijn leven laat zien door een spectaculaire bril, die vervormingen in de weergave van dat leven veroorzaakt.

Joyce schiep biografictie. Zijn biografen mythografie.

Stephen is niet James, Mulligan is niet Gogarty, Molly is niet Nora, enzovoort. (Brenda Maddox maakt het wel heel bont door haar biografie, waarschijnlijk op instigatie van haar uitgever trouwens, om de verkoop te bevorderen, de ondertitel The Real Life of Molly Bloom mee te geven.) Ulysses gaat niet over Ulysses. Bloom is niet Odysseus. Dat laatste gelooft iedereen, waarom is het dan zo moeilijk niet te geloven dat Stephen & Co. leugens zijn omwille van de leugen, en dat we die leugen ironie noemen, kunst, literatuur.

Zolang we ons realiseren dat Joyce biografictie schreef, is het heel goed mogelijk zijn leven te verlevendigen aan de hand van zijn werk, zonder al te zeer bij te dragen aan de mythografie.

‘Begin!’ (Ulysses)

Hoopsa boyaboy hoopsa! Hoopsa boyaboy hoopsa! Hoopsa boyaboy hoopsa! (Ulysses)
James Augustine Aloysius Joyce werd geboren op 2 februari 1882 in een welvarend deel van Dublin, de hoofdstad van Ierland, dat toen nog een kolonie van Engeland was. James was het eerste kind van John Stanislaus Joyce en Mary (‘May’) Murray. Het huwelijk zou nog veertien kinderen opleveren, van wier er uiteindelijk tien de kinderjaren zouden overleven. Joyce’ vader ging het aanvankelijk financieel voor de wind, maar door een al te opportunistisch beheer van het familiekapitaal raakte het gezin Joyce na verloop van jaren bijna aan de bedelstaf. Voor James zijn vader (vooral zijn droge, of zoals de zoon het uitdrukte, beter gezegd natte gevoel voor humor) en diens onfortuinlijke maatschappelijke val belangrijke bronnen van inspiratie geweest. Bij de dood van zijn vader in januari 1931 schreef James dat hij veel van hem had gehouden en er ‘tientallen personages en honderden karakters’ van hem afkomstig waren. Een maand na de dood van zijn vader werd Joyce’ eerste kleinzoon geboren, Stephen James. Kleinzoon en grootvader bracht zoon en vader bijeen in het ontroerende gedicht ‘Ecce Puer’: ‘Een kind ligt te slapen / een man is dood. / O, vader verlaten, / vergeef uw zoon.’

Twee jaar na James wordt Stanislaus geboren. Ondanks hun zeer uiteenlopende karakters (James werd thuis ‘Sunny Jim’ genoemd, de sobere, sombere Stanislaus ‘Brother John’) zouden de twee een hechte band met elkaar ontwikkelen, waarbij Stanislaus overigens niet alleen als slijpsteen voor James’ geest werd gebruikt, maar ook vaak als degene die James uit de vele sloten waarin deze tegelijk viel, weer moest opvissen.

James Joyce bezocht vanaf 1888 Clongowes Wood College, een prestigieuze kostschool met taan het hoofd pater John Conmee, die ook in Ulysses opduikt. De school is vereeuwigd in A Portrait…, waar Stephens onvrijwillige val in een greppel de val van Parnell echoot: Charles Stewart Parnell, voorvechter van de Ierse onafhankelijkheid, leider van de Irish Parliamentary Party, had een relatie met de getrouwde Kitty O’Shea. Toen die relatie openbaar werd, was dat ook voor veel van Parnells aanvankelijke medestanders voldoende aanleiding om hem als een hete baksteen te laten vallen. Parnell, Icarus, val, verraad, het zouden terugkerende thema’s in Joyce’s oeuvre worden.

Probaly I shall go away, he said. (A Portrait…)
Nadat Joyce zijn lagere en middelbare school aan steeds minder chique instellingen afmaakt en heeft besloten om niet priester te worden, maar kunstenaar (‘to forge in the smithy of my soul the uncreated conscience of my race’, aldus einde van A Portrait…), schrijft hij zich in 1898 bij de Royal University (tegenwoordig University College Dublin) in, waar hij in 1902 zijn BA moderne talen haalt. In december 1902 vertrekt hij naar Parijs, zichzelf en anderen voorhoudend dat hij daar medicijnen gaat studeren. Het zou in werkelijkheid zijn eerste stap naar een zelfverkozen ballingschap zijn; een ballingschap uit een Ierland dat hem nooit zal verlaten.

In april 1903 keert hij, daartoe geroepen door een telegram met de tekst ‘Nother [sic] dying, come home, father’ (niet voor niets een ‘curiosity to show’, zoals het in Ulysses heet) terug naar
Dublin. Net als Stanislaus weigert James aan zijn moeders laatste wens, te bidden voor haar zielenrust, tegemoet te komen. Het zal een van de belangrijkste aanleidingen vormen voor Stephens gewetensnood (‘agenbite of inwit’) in Ulysses. En als Stephen zichzelf niet met de verwijtende spookverschijningen van zijn moeder foltert, doet zijn ‘vriend’ Buck Mulligan dat wel:

He turned abruptly his grey searching eyes from the sea to Stephen’s
face.
– The aunt thinks you killed your mother, he said. That’s why she won’t let me have anything to do with you.
– Someone killed her, Stephen said gloomily.
– You could have knelt down, damn it, Kinch, when your dying mother asked you, Buck Mulligan said. I'm hyperborean as much as you. But to think of your mother begging you with her last breath to kneel down and pray for her. And you refused. There is something sinister in you.... (Ulysses)

In oktober 1904 vertrekt Joyce voorgoed uit Ierland, Met enkele verhalen van zijn hand gepubliceerd in The Irish Homestad (een agrarisch magazine), een verblijf in een van de Martello Towers ten zuiden van Dublin (met onder anderen Gogarty; de openingsscène van Ulysses is er gesitueerd, en tegenwoordig het James Joyce Museum) zijn vriendin Nora Barnacle aan de arm en een aanstelling bij de Berlitz-school in Zürich in de binnenzak, gaat James Joyce op reis.

And trieste, ah trieste ate I my liver! (Finnegans Wake)
Na omzwervingen via Zürich (waar de vacature aan de Berlitz school niet blijkt te bestaan) en Pola weet Joyce in 1905 een aanstelling te bemachtigen bij de Berlitz school in Triëst. Soms blijkt een omweg de meest gelukkige manier om je doel te bereieken. Triëst blijkt een stad naar Joyce’s hart. Hij ontmoet Ettore Schmitz, die zich, daartoe aangemoedigd door Joyce, zal ontwikkelen tot de auteur Italo Svevo. Hij schrijft er de gedichten die in Chamber Music (1907) worden gepubliceerd, de verhalen die in Dubliners (1914) worden gebundeld, Stephen Hero en A Portrait…(1916). Hij zou van 1905 tot 1915 bijna onafgebroken in de stad wonen, waar ook Stanislaus en zijn zus Eileen hem lange tijd gezelschap zouden houden. Zijn twee kinderen, Giorgio en Lucia, zouden er worden geboren.

Hoewel de hitte hem er ’s zomers parten speelde, was Triëst voor Joyce in wezen de ideale stad; de zuidelijke tweelingzus van Dublin. ‘La nostra bella Trieste’, zoals hij schreef in een brief aan Nora, mocht dan deel uitmaken van het van het ‘volgens sommigen krakkemikkige Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk’, wat hem betreft mochten er meer van dat soort keizerrijken zijn. In 1909, aan de vooravond van de terugkeer van een verblijf in Dublin, heeft hij het opgelucht over een ‘terugkeer naar de beschaving.’ In Dublin had hij bij die gelegenheid met een drietal kennissen de eerste bioscoop van de stad opgericht, de Volta Cinema.

Een verhaal waar Joyce in Triëst in 1906 aan begon en dat het laatste verhaal van Dubliners had moeten worden, maar ‘nooit verder kwam dan de titel’ (‘Ulysses in Dublin’), bleek de kiem voor de roman Ulysses te bevatten. De eerste versie van de eerste episode (waarschijnlijk het uiteindelijke hoofdstuk 16) van Ulysses schrijft hij in 1914 in Triëst.

Yssel that the limmat? (Finnegans Wake)
Omdat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog alle buitenlanders Italië worden uitgezet, moeten ook Joyce en zijn gezin vertrekken. Zo komen ze, alsnog, in Zürich terecht, de stad die tijdens de jaren 1914-1918 onderdak bood aan revolutionairen op velerlei gebieden, aan onder andere Lenin, Tristan Tzara en, dus, Joyce, die er aan Ulysses werkte, af en toe Engelse les gaf om in zijn onderhoud te voorzien. (Het toneelstuk Travesties van Tom Stoppard is gesitueerd in Zürich in die jaren en draait om een ontmoeting van deze drie figuren, die alle op geheel eigen wijze de koers van onderdelen van de twintigste eeuw hebben bepaald). Ook was hij betrokken bij het toneelgezelschap The English Players en schreef hij het toneelstuk Exiles, zijn niet geheel geslaagde poging om in de voetsporen van Ibsen te treden.

Vanaf 1918 verschijnen in The Little Review (New York) hoofdstukken van Ulysses, tot dit blad door de Amerikaanse autoriteiten wordt gedwongen te stoppen met de publicatie van dit obscene materiaal. Joyce heeft inmiddels in de Amerikaanse literator Ezra Pound een bewonderaar c.q. coach gevonden (eerder was deze al instrumenteel in de seriële publicatie van A Portrait), en hij laat zich in 120, na een kortstondige terugkeer naar Triëst, door Pound overhalen zich in Parijs te vestigen.

De veronderstelde obsceniteit van Ulysses wierp de nijpende vraag op, wie zou willen riskeren het boek als geheel te publiceren. Sylvia Beach, de Amerikaanse eigenaresse van de Parijse boekhandel Shakespeare & Co. zag er echter wel wat in. Na onbeschrijfelijke (over beter: elders uitgebreid beschreven) technische moeilijkheden zag Ulysses op 2 februari 1922 het licht: op Joyce’s veertigste verjaardag. De wereld had er een bard bij:

– The most beautiful book that has come out of our country in my time. One thinks of Homer. (Ulysses)

Pers en autoriteiten waren vooralsnog overigens nauwelijks - of: al te zeer - onder de indruk. De Ierse Sporting Times schreef dat het boek ‘is enough to make a Hottentot sick’; het zou pas tot 1933 duren voor het boek in de Verenigde Staten legaal mocht worden verkocht: ‘Ofschoon het effect van Ulysses op de lezer op vele plaatsen ongetwijfeld een weinig misselijk makend is, prikkelt het nergens de lusten’, aldus rechter Woolsey in zijn beroemde vonnis. In Engeland bleef het boek zelfs tot 1936 verboden. (In Ierland werd het boek nooit verboden, een hardnekkig misverstand. Men wilde het er liever niet over hebben, als u het niet erg vindt, maar als u aandringt hebben we op een schap, achter nog wel… weet u het zeker?).

What a meanderthalltale… and with what an end… (Finnegans Wake)
In de jaren 1922-1939 besteedde Joyce zijn leven voornamelijk aan het werk dat onder titel ‘Work in Progress’ onder vrienden circuleerde, en waarvan fragmenten in het Parijse avant-garde tijdschrift transition werden gepubliceerd en als aparte boekjes werden uitgegeven (onder meer bij de Servire Pers in Den Haag). De onleesbaarheid van het boek dat uiteindelijk in 1939 zou worden gepubliceerd onder de titel Finnegans Wake, was, en is, legendarisch. Bij zijn eigen leven wist Joyce zelf nog wat licht in de duisternis te laten schijnen door twaalf bewonderaars/vrienden het boek Our Exagmination Round His Factification for Incamination of Work in Progress te laten schrijven. Onder de exegeten bevonden zich William Carlos Williams, Frank Budgen en Samuel Beckett. De laatste was de auteur van het, ook in het licht van zijn eigen poëtica, belangwekkende artikel ‘Dante…Bruno. Vico..Joyce’.

Maar ook de internationale waardering voor Ulysses kwam inmiddels goed op gang (het verbod van de publicatie van het boek in de Verenigde Staten leidde, tot Joyce’s grote woede, onder meer tot populaire roofdrukken). er verschenen tevens vertalingen van het werk in het Tsjechisch, Duits, Frans en Catalaans. In 1930 verscheen Stuart Gilberts James Joyce’s Ulysses, waarin haarfijn uit de doeken werd gedaan hoe het werk gelezen diende te worden. Al met al waren de eerste stappen gezet op weg naar wat nu wel de Joyce-industrie wordt genoemd. Een industrie die voor een deel door Joyce zelf in gang is gezet.

Eind 1939, onder de dreiging van een nieuw oorlogsdrama (zeer tot gram van Joyce, die voorzag dat men zich in dat licht niet meer volledig aan veel belangrijkere - en vredigere - Finnegans Wake kon wijden), besluiten Joyce en Nora Parijs in te ruilen voor de relatieve luwte van Saint Gérand-Le-Puy, nabij Lyon. In december 1940 lukt het ze zich, na veel moeite, weer in Zürich te vestigen. Daar overlijdt de bijgelovige Joyce op 13 januari 1941 aan een maagbloeding.

His soul swooned slowly as he heard the snow falling faintly through the universe and faintly falling, like the descent of their last end, upon all the living and the dead. (‘The Dead’)

Hij wordt begraven op de Fluntern-begraafplaats, met uitzicht over de stad en binnen gehoorsafstand van het gebrul van de leeuwen in de dierentuin.

- Onno Kosters
schema  
OP DE BOEKENPLANK VAN JAMES JOYCE

Odyssee
Homer, ca. 700 v.Chr.
De Odysseia van Homeros, die in Ulysses zowel nagevolgd als geparodieerd wordt.

Gargantua en Pantagruel
François Rabelais, 1532-1553
De burleske (quasi-heroïsche) tradities van Rabelais en Henry Fielding (zie ook Tom Jones, 1749).

Tom Jones: de geschiedenis van een vondeling
Henry Fielding, 1749
De burleske (quasi-heroïsche) tradities van Henry Fielding en Rabelais (zie ook Gargantua en Pantagruel, 1532-1552)).

De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha
Miguel de Cervantes Saavedra, 1605 / 1615
De 'modernistische' en stilistisch vernieuwende romans van Cervantes en Laurence Sterne (zie ook Tristram Shandy, 1760-1767).

Het leven en de Opvattingen van de Heer Tristam Shandy
Laurence Sterne, 1759-1767
De 'modernistische' en stilistisch vernieuwende romans van Laurence Sterne en Cervantes (zie ook Don Quichot, 1605-1615).

...En de sleutel is gebroken
Edouard Dujardin, 1888
De door Édouard Dujardin in Les lauriers sont coupés ontwikkelde 'stream-of-consciousness' techniek.

De avonturen van Alice in Wonderland / Achter de Spiegel en wat Alice daar aantrof
Lewis Carroll, 1865 / 1871
De 19de-eeuwse nonsenspoëzie van Lewis Carroll (in Alice in Wonderland, bijvoorbeeld) en Edward Lear.

Spoken
Henrik Ibsen, 1881
De volgens Joyce 'moderne' en 'vivisectische' geest van Henrik Ibsen (1828-1906), toneelschrijvend voorloper van Sigmund Freud.

[Confessions of a Young Man]
George A. Moore, 1888
Het vrijmoedige realisme van de Ierse romanschrijver George Moore (Confessions of a Young Man, 1888).

[Leutnant Gustl]
Arthur Schnitzler, 1901
Novelle waarmee de Oostenrijkse schrijver Schnitzler de monologue intérieur invoert als nieuwe uitdrukkingsvorm in de Duitse literatuur.

HET OEUVRE VAN JAMES JOYCE:

Ulysses
1922
Stilistisch gevarieerde Homeros-parodie over de Dublinse 'jood' Leopold Bloom, die zich ontpopt als surrogaatvader van Stephen Dedalus op de dag dat hij bedrogen wordt door zijn vrouw Molly.
WAT TE LEZEN NA ULYSSES?

ANDERE MODERNISTISCHE MEESTERWERKEN
Onzichtbare man
Ralph Ellison, 1952
Vervreemdende 'avonturenroman' over een zwarte man in vooroorlogs Amerika.

De Kapellekensbaan
Louis Paul Boon, 1953
Caleidoscopische collageroman over Ondineke die vooruit wil in de wereld.

Het geraas en gebral
William Faulkner, 1929
De teloorgang van een Zuidelijke familie in stijlpuzzelstukjes.

DIRECT DOOR JAMES JOYCE BEïNVLOEDE ROMANS
Bekentenissen van Zeno
Italo Svevo, 1923
Bij de psychiater overziet een man zijn leven en onwelzijn.

Onder de vulkaan
Malcolm Lowry, 1947
Laatste dag van het leven van een alcoholistische consul in Mexico.

Malone sterft
Samuel Beckett, 1951
Innerlijke monoloog van een eenzame stervende man met galgenhumor.

Meneer Visser's hellevaart
S. Vestdijk, 1936
Een dag uit het leven van een pestkop, tussen droom en waken.

MODERNISME EN DE STAD
Herzog
Saul Bellow, 1964
Professor in crisis becommentarieert het moderne leven in New York en Chicago.

Manhattan Transfer
John Dos Passos, 1925
City rijst op uit tientallen snel gemonteerde levensverhalen.

Mrs. Dalloway
Virginia Woolf, 1925
Een dag uit het leven van een Londense societydame - in streams of consciousness.

Berlijn Alexanderplatz
Alfred Döblin, 1929
Een groezelige Don Quichot overleeft in Berlijn van het Interbellum.

Een portret van de kunstenaar als jongeman
1914-1915
Deels autobiografische roman waarin de Ierse auteur beschrijft hoe hij zich wilde bevrijden van de banden van godsdienst, vaderland en familie, teneinde zich onbelemmmerd aan zijn kunst te kunnen wijden.
Dubliners
1914
Vijftien realistische verhalen over verstikte en (tevergeefs) rebellerende inwoners van Dublin.
Finnegans Wake
1939
Onnavolgbare explosie van woordspeelse taal en mythische associaties over een kastelein en zijn gezin in Dublin; roman op de grens van literatuur en superieure onzin.
[Stephen Hero]
1944 (postuum)
'postuum'
Deel van de eerste, minder experimentele versie van A Portrait of the Artist
:
noot maken
naam:

noot


Code (above)


The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn
 

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.