Watt
Samuel Beckett IJzer, 2006 vertaling: Onno Kosters
oorspronkelijk verschenen als: Watt uitgeverij: Querido, Amsterdam
verwijzingen vanuit: In ongenade J.M. Coetzee
Een verblindende afwezigheid van licht Tahar Ben Jelloun
Andere boekfragmenten: boekfragment: De nacht in Olaf Olafsson
boekfragment: Vita Melania Mazzucco
boekfragment: Kampvuur Julia Franck
boekfragment: Klein verhaal van een grote gekte Rob Kappen
boekfragment: Onder de vulkaan Malcolm Lowry
boekfragment: Callahan en andere gedaanten Onno Kosters
boekfragment: Lezen &cetera - gids voor de wereldliteratuur Pieter Steinz
boekfragment: Bankvlees Jan van Loy
boekfragment: Onder het vee Rutger Kopland
boekfragment: Een man in de tuin Rutger Kopland
boekfragment: De Amerikaan die ik nooit geweest ben Chris Keulemans
boekfragment: De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha Miguel de Cervantes Saavedra
boekfragment: Terug naar huis Natasha Radojcic
boekfragment: Dansen met de kippen Jim Heynen
boekfragment: Rondo veneziano Gerrit Krol
boekfragment: De rokken van Joy Scheepmaker Gerrit Krol
boekfragment: De egyptoloog Arthur Phillips
boekfragment: Praag Arthur Phillips
boekfragment: Verkleed als mens Wouter van Oorschot
boekfragment: De bekende wereld Edward P. Jones
boekfragment: Zorro: op weg naar zijn lotsbestemming Isabel Allende
boekfragment: De laatste raamgiraf Péter Zilahy
boekfragment: De hut van oom Tom Harriet Beecher Stowe
boekfragment: Ragtime E.L. Doctorow
boekfragment: Langzaam lopen is al verdacht Arjan Peters
boekfragment: Het Vijftig Jaars Zwaard Mark Z. Danielewski
boekfragment: Purgatorio John Haskell
boekfragment: De rusteloze supermarkt Ivan Vladislavic
boekfragment: Zuidwester meningen D. Hooijer
boekfragment: Afgunst Kathryn Harrison
boekfragment: Watt Samuel Beckett
boekfragment: Sonny Boy Annejet van der Zijl
boekfragment: Bittere vruchten Achmat Dangor
boekfragment: Kreutzersonate Leo N. Tolstoy
boekfragment: Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline
boekfragment: Vreemd Bob Rigter
boekfragment: Gloed Sándor Márai
boekfragment: Handboek voor de levenskunst Wilhelm Schmid
boekfragment: Boetekleed Ian McEwan
boekfragment: In Babylon Marcel Möring
boekfragment: Lezen op locatie Pieter Steinz
boekfragment: Het web van de wereldliteratuur Pieter Steinz
boekfragment: Zwarte Mamba Nadifa Mohamed
boekfragment: Eekhrn zkt eekhrn David Sedaris
|
Nederlands
WATT — SAMUEL BECKETT III
Rond deze periode werd Watt overgeplaatst naar een ander paviljoen, en bleef ik achter in het oude paviljoen. Daardoor troffen we elkaar minder vaak en spraken we elkaar minder vaak dan voorheen. Niet dat we elkaar ooit vaak hadden getroffen, of gesproken, dat niet. Want we kwamen maar zelden buiten, Watt kwam maar zelden buiten en ik kwam maar zelden buiten. En als het weer ons aangenaam was en ons uit onze verblijven wist te lokken, de tuin in, gebeurde dat niet altijd op hetzelfde tijdstip. Want het soort weer waar ik van hield, leek weliswaar op het soort weer waar Watt van hield, maar had ook zekere eigenschappen die het weer waar Watt van hield niet had, en ontbeerde zekere eigenschappen die het soort weer waar Watt van hield wel had. Dus wanneer we, als we beiden uit onze verblijven waren gelokt door wat ieder van ons dacht dat het weer zou zijn waar de ander van hield, elkaar in de kleine tuin troffen, en elkaar wellicht ook spraken (want al konden we elkaar niet spreken zonder elkaar te treffen, wel konden we, hetgeen vaak gebeurde, elkaar treffen zonder elkaar te spreken), werd een van ons vrijwel zeker teleurgesteld, en kreeg een van ons er vrijwel zeker spijt van, bittere spijt, dat hij ooit zijn verblijf had verlaten, en bezwoer hij, krachteloos, nooit meer zijn verblijf te verlaten, hoe dan ook nooit nee nooit meer zijn verblijf te verlaten. | | 1. | | WATT — SAMUEL BECKETT Dus was ons ook verzet vertrouwd, verzet tegen de lokroep van het weer waar we van hielden, maar zelden gelijktijdig. Niet dat enig gelijktijdig verzet enig verband hield met ons treffen, ons spreken, dat niet. Want wanneer we ons beiden verzetten, troffen we elkaar niet vaker, of spraken we elkaar niet vaker, dan wanneer de een zich verzette, en de ander toegaf. Maar ah, wanneer we beiden toegaven, troffen we elkaar, en spraken we elkaar, in de kleine tuin.
Het is zo eenvoudig gehoor te geven, zo eenvoudig doof te zijn, wanneer de roep klinkt, zo eenvoudig, zo eenvoudig. Maar welke roep zou tot ons, in onze raamloze staat, in onze bloedhitte, in onze luwte, tot ons die de wind niet konden horen, of de zon zien, kunnen komen, van het soort weer waar wij van hielden, anders dan een roep zo zwak dat deze iedere gehoorgeving, of doofheid, bespottelijk zou maken? En het was uiteraard ondenkbaar af te gaan op de meteorologische informatie die onze verzorgers verstrekten. Het is derhalve niet verbazingwekkend dat ons, nu eens Watt, dan weer mij, dan weer Watt en mij, vanwege onze volkomen ongewisheid over wat er buiten gebeurde, binnen vele uren achtereen door de vingers glipten, die ons evengoed, zo niet beter, in elk geval niet slechter, buiten door de vingers hadden kunnen glippen, gedurende welke wij, Watt, of ik, of Watt en ik, zouden wandelen, en elkaar wellicht zelfs op bepaalde manieren spreken, in de kleine tuin. | | 2. | | WATT — SAMUEL BECKETT Nee, maar waar men zich wel over zou kunnen verbazen is dat de roep tot ons beiden, beiden genegen eraan toe te geven, ieder in zijn afzonderlijke geluidloze onverlichte warmte, kon komen, zo vaak als dat voorkwam, zo zelden als dat voorkwam, en ons kon verleiden ons verblijf te verlaten, de kleine tuin in. Ja, dat wij elkaar ooit konden hebben getroffen, en elkaar gesproken, en naar elkaar geluisterd, en dat mijn arm ooit op de zijne zou hebben gerust, en de zijne op de mijne, en onze schouders elkaar hadden geraakt, en onze benen voorwaarts en achterwaarts hadden bewogen, tezamen over min of meer dezelfde grond hadden gelopen, eerst gelijktijdig de rechterbenen naar voren, de linker- naar achteren, en vervolgens zonder enige aarzeling het omgekeerde, en dat wij elkaar, schuin naar voren geleund, borst aan borst, ooit innig hadden omhelsd (zelden, overigens, en nimmer op de lippen), leek mij, de laatste keer dat ik het me herinnerde, merkwaardig, merkwaardig. Want we verlieten nimmer ons verblijf, nimmer, tenzij daartoe geroepen door het soort weer waar we van hielden, Watt verliet nooit zijn verblijf voor mij, en ik nooit voor hem, maar als we onafhankelijk van elkaar ons verblijf verlieten wanneer we daartoe werden geroepen door het soort weer waar we van hielden, troffen we elkaar, en spraken we elkaar soms, in grote vriendschappelijkheid, zelfs met genegenheid, in de kleine tuin. | | 3. | | WATT — SAMUEL BECKETT
| | 4. |
|