Een man in de tuin
Rutger Kopland Van Oorschot,
Andere boekfragmenten: boekfragment: De nacht in Olaf Olafsson
boekfragment: Vita Melania Mazzucco
boekfragment: Kampvuur Julia Franck
boekfragment: Klein verhaal van een grote gekte Rob Kappen
boekfragment: Onder de vulkaan Malcolm Lowry
boekfragment: Callahan en andere gedaanten Onno Kosters
boekfragment: Lezen &cetera - gids voor de wereldliteratuur Pieter Steinz
boekfragment: Bankvlees Jan van Loy
boekfragment: Onder het vee Rutger Kopland
boekfragment: Een man in de tuin Rutger Kopland
boekfragment: De Amerikaan die ik nooit geweest ben Chris Keulemans
boekfragment: De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha Miguel de Cervantes Saavedra
boekfragment: Terug naar huis Natasha Radojcic
boekfragment: Dansen met de kippen Jim Heynen
boekfragment: Rondo veneziano Gerrit Krol
boekfragment: De rokken van Joy Scheepmaker Gerrit Krol
boekfragment: De egyptoloog Arthur Phillips
boekfragment: Praag Arthur Phillips
boekfragment: Verkleed als mens Wouter van Oorschot
boekfragment: De bekende wereld Edward P. Jones
boekfragment: Zorro: op weg naar zijn lotsbestemming Isabel Allende
boekfragment: De laatste raamgiraf Péter Zilahy
boekfragment: De hut van oom Tom Harriet Beecher Stowe
boekfragment: Ragtime E.L. Doctorow
boekfragment: Langzaam lopen is al verdacht Arjan Peters
boekfragment: Het Vijftig Jaars Zwaard Mark Z. Danielewski
boekfragment: Purgatorio John Haskell
boekfragment: De rusteloze supermarkt Ivan Vladislavic
boekfragment: Zuidwester meningen D. Hooijer
boekfragment: Afgunst Kathryn Harrison
boekfragment: Watt Samuel Beckett
boekfragment: Sonny Boy Annejet van der Zijl
boekfragment: Bittere vruchten Achmat Dangor
boekfragment: Kreutzersonate Leo N. Tolstoy
boekfragment: Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline
boekfragment: Vreemd Bob Rigter
boekfragment: Gloed Sándor Márai
boekfragment: Handboek voor de levenskunst Wilhelm Schmid
boekfragment: Boetekleed Ian McEwan
boekfragment: In Babylon Marcel Möring
boekfragment: Lezen op locatie Pieter Steinz
boekfragment: Het web van de wereldliteratuur Pieter Steinz
|
Nederlands
| | Een koraal
Volgens zijn tijdgenoten was Johann Sebastian Bach
Een virtuoos organist – hij speelde met
Een onnavolgbare ‘Leichtigkeit’
lichthandigheid zou je het kunnen noemen, maar dan zo
licht dat het was alsof het geen handen waren
die speelden
ik vermoed dat ik wel weet hoe het klonk
alsof ik hoor hoe hij het zelf is die daar boven
in deze kerk in die kleine machinekamer
muziek zit te maken
je hoort het eeuwenoude mechaniek, het gekreun
van scharnieren, het geklepper van toetsen
het gekraak van de vloer, het zuchten van wind
hoe er van lucht muziek wordt gemaakt
en er een koraal langzaam door de ruimte zweeft
als een onzichtbare gewichtloze vogel
Leichtigkeit
| | | Het anatomisch verslag
Ik zat te kijken naar het sterven
van mijn moeder, haar gezicht was al leeg
maar ze ademde nog – ga toch dacht ik, verlaat
in godsnaam dat lichaam – en ze ging
ik geloof niet dat zij de laatste jaren wist
wie wij waren: mijn moeder, haar zoon
ik lees het verslag van de patholoog-anatoom
in patiëntes hersenen trof hij de bij dit beeld
gebruikelijke afwijkingen aan
hij beschrijft uitvoerig en zorgvuldig hoe hij
met mes en microscoop door haar hersenen
is gewandeld en wat hij tegenkwam
ik wandel mee, ik ken het landschap uit het handboek
cortex, thalamus, limbische gebieden
en zie de verwoestingen
in deze verlaten wereld heeft ze gewoond
en ook ik woonde hier
ik moet wegkijken van het verslag
in mijn hoofd een leegte niet te beschrijven
alsof ook ik mijn lichaam had verlaten
| | | Wat water achterliet
Een aquarel van Van Hoogdalem
op het moment dat je haar ziet weet je
waarom de schilder haar maakte
zo moest het
een interieur met een paar dingen
je kunt zien dat hij hield van dit tafereel
niet om de zogenaamde schoonheid
maar om de toevalligheid
het raam, de muur, de tafel, de stoelen
de vloer – ze kennen geen verlangen
om bij elkaar te horen
maar wat hen een moment bijeenbrengt is
een laag licht dat door het raam binnenstroomt
en alles overspoelt met alle tinten rood
je kunt zien dat hij het papier doordrenkte
met water – water dat nu is verdampt
en de dingen achterliet zoals ze
daar waren, in dat licht
| | | De God in mijn hersenen
Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
dat ik die nacht in het verleden had geleefd
en zonder de geringste verbazing weer
geloofd had dat God bestond
ik wilde hem eindelijk wel eens spreken
het is een bijzonder aardige man zei iemand
je kunt hem gerust eens bellen
ik belde en er klonk een stem, een heel lieve stem
zodat ik mij een lieve gevleugelde vrouw voorstelde
zoals je wel ziet op felicitatiekaarten
wilt u god, werd er gezegd, toets dan één
wilt u god niet, toets dan niet
ik toetste één
en dezelfde gevleugelde vrouw zei: er is nog
één wachtende voor u en die ene bent u
ik herinnerde mij dat ik hier eindeloos over
moest nadenken tot ik ontwaakte en God weer
was verdwenen, ergens in mijn hersenen
| | | Zijn brieven
Dit zijn zijn brieven, ze ruiken naar
oud papier, de inkt is grijs
ja, zo was zijn handschrift, zo zagen
zijn brieven er altijd uit, dit was hij
schrijven is uitvinden wat er in je leeft
op dit papier heeft hij dat geprobeerd
schrijven is lezen, een poging te lezen
wat een ander leest – die ander was ik
dit is wat hij met zijn hand maakte, deze
letters, ze zijn zo van hemzelf dat hij
terugkeert – hij is er weer met zijn gezicht
zijn stem, zijn handen, een glas, een sigaret
en tegelijk is het niets anders dan
papier dat verstoft, inkt die verbleekt
| | | De mens in de mens
Ten slotte kwam het gesprek op het mooiste
voorbeeld van vereniging van materie en geest
geest en materie: de mens inderdaad
we hadden gedronken natuurlijk
iemand bekende dat hij in de mens toch
eigenlijk altijd ergens de mens probeerde
te vinden, daar ging het hem om
of we hem konden volgen
het was al laat maar we probeerden niet
al te hard te lachen – hij leek het te menen
iemand vroeg zich toen af of de mens kleiner
zou kunnen zijn dan zichzelf en zo ja
waar de mens dan moest worden gezocht
iemand overwoog de mogelijkheid dat de mens
even groot zou kunnen zijn als hij of zij zelf
en dat zoeken dus overbodig zou zijn
iemand meende dat wat je zelf niet bent – alles
om je heen dus – in je hoofd zit en dat je
dat ook bent: de mens is daardoor groter
dan zichzelf en dus onvindbaar
en zo waren er nog meer dingen
maar die waren niet onbegrijpelijk genoeg
om hier te noemen
misschien is de mens alleen maar een woord
en zelfs dat niet
|
|