Bankvlees
Jan van Loy Nijgh & Van Ditmar,
verwijzing vanuit: Vreemd Bob Rigter
Andere boekfragmenten: boekfragment: De nacht in Olaf Olafsson
boekfragment: Vita Melania Mazzucco
boekfragment: Kampvuur Julia Franck
boekfragment: Klein verhaal van een grote gekte Rob Kappen
boekfragment: Onder de vulkaan Malcolm Lowry
boekfragment: Callahan en andere gedaanten Onno Kosters
boekfragment: Lezen &cetera - gids voor de wereldliteratuur Pieter Steinz
boekfragment: Bankvlees Jan van Loy
boekfragment: Onder het vee Rutger Kopland
boekfragment: Een man in de tuin Rutger Kopland
boekfragment: De Amerikaan die ik nooit geweest ben Chris Keulemans
boekfragment: De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha Miguel de Cervantes Saavedra
boekfragment: Terug naar huis Natasha Radojcic
boekfragment: Dansen met de kippen Jim Heynen
boekfragment: Rondo veneziano Gerrit Krol
boekfragment: De rokken van Joy Scheepmaker Gerrit Krol
boekfragment: De egyptoloog Arthur Phillips
boekfragment: Praag Arthur Phillips
boekfragment: Verkleed als mens Wouter van Oorschot
boekfragment: De bekende wereld Edward P. Jones
boekfragment: Zorro: op weg naar zijn lotsbestemming Isabel Allende
boekfragment: De laatste raamgiraf Péter Zilahy
boekfragment: De hut van oom Tom Harriet Beecher Stowe
boekfragment: Ragtime E.L. Doctorow
boekfragment: Langzaam lopen is al verdacht Arjan Peters
boekfragment: Het Vijftig Jaars Zwaard Mark Z. Danielewski
boekfragment: Purgatorio John Haskell
boekfragment: De rusteloze supermarkt Ivan Vladislavic
boekfragment: Zuidwester meningen D. Hooijer
boekfragment: Afgunst Kathryn Harrison
boekfragment: Watt Samuel Beckett
boekfragment: Sonny Boy Annejet van der Zijl
boekfragment: Bittere vruchten Achmat Dangor
boekfragment: Kreutzersonate Leo N. Tolstoy
boekfragment: Reis naar het einde van de nacht Louis-Ferdinand Céline
boekfragment: Vreemd Bob Rigter
boekfragment: Gloed Sándor Márai
boekfragment: Handboek voor de levenskunst Wilhelm Schmid
boekfragment: Boetekleed Ian McEwan
boekfragment: In Babylon Marcel Möring
boekfragment: Lezen op locatie Pieter Steinz
boekfragment: Het web van de wereldliteratuur Pieter Steinz
boekfragment: Zwarte Mamba Nadifa Mohamed
boekfragment: Eekhrn zkt eekhrn David Sedaris
|
Nederlands
BANKVLEES — JAN VAN LOY uit: 'Gehakt'
De wereld valt niet te veranderen, maar toch proberen we het nog een keer. Met soep.
‘De wereld valt wel te veranderen,’ zegt Anja, een mollige studente die, af te zien aan de heftigheid waarmee ze de uien te lijf gaat, heel wat energie uit haar vetreserves put. ‘Vergelijk maar eens hoe het nu is met hoe het was in de negentiende eeuw.’
‘Cosmetica,’ zeg ik. ‘Twee seconden beschaving verandert niks aan een uur dierlijkheid.’
Onze stemmen resoneren in een uitgestrekte keuken, opgetrokken uit roestvrij staal en witte tegels.
‘Jij bent een pessimist,’ zegt Anja, ‘en pessimisme is conservatief.’
Who cares? Ik sta hier alleen maar prei en penen te hakken omdat ik bijna dol was geworden van het alternatief: thuis zitten met een kop vol dissonanten en niemand om te luisteren.
‘Luister, Anja’tje, ik ben vrijwillig uit de ratrace gestapt. Vind jij dat conservatief?’
‘Noem me niet Anja’tje, oké?’
De groentesoep bevat schilfertjes van een stuk vlees dat in de supermarkt ‘zenuwstuk’ wordt genoemd. Waarom geven we ze geen flinke brokken te kauwen? Zo wordt die soep toch wat substantiëler, pleit ik.
‘Dat is een budgetkwestie,’ zegt Erik, grote baas van de soeponderneming, maar zelf noemt hij zich liever coördinator. | | 1. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY ‘Er is te weinig vlees om het in brokken te snijden. In de ene beker zou een brok terechtkomen, in sommige bekers twee brokken, en in andere dan weer geen enkele.’
‘Dus we geloven in de goedheid van de mens,’ zeg ik, ‘maar ook in zijn onvermijdelijke jaloezie als hij denkt dat een ander een brokje meer in zijn soep heeft.’
Erik kijkt mij aan. Zijn mond is een beetje vertrokken, bijna een glimlach. ‘Die kleine stukjes geven een betere distributie,’ zegt hij.
Tot elke prijs zal vermeden worden dat de een meer geluk heeft dan een ander. Moedeloos word ik van dat soort egalitarisme, want zelf zou ik graag meer geluk hebben dan een ander.
‘Daklozen hebben hun portie pech al gehad,’ zegt de coördinator, zelf nooit dakloos geweest.
‘Het kan ook hun eigen schuld zijn,’ zeg ik, evenmin ooit dakloos geweest.
‘Maar dat is niet onze instelling,’ zegt de glimlachende coördinator, en hij laat me zowaar zijn wijsvingertje zien, terwijl ik en niet hij sta te tranen boven de uien.
Toen ik Anja zag, had ik er geen spijt van dat ik me hier had opgegeven als vrijwilliger.
‘Waarom heb je je hier als vrijwilliger opgegeven?’ was een van haar eerste vragen.
‘Om iets te doen te hebben. | | 2. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY ’
‘Dus niet uit overtuiging?’
'De overtuiging dat de muren op me afkwamen. Telt dat?'
Vanmorgen hebben we met z’n drieën aan tafel wat zitten kletsen – ’vergaderen’, noemde Erik het. Het vriesweer van de laatste dagen maakte het volgens hem noodzakelijk de daklozen en bedelaars van onze stad zo niet een hart onder de riem te steken, dan toch een warme droesem in de maag te splitsen. Gratis, natuurlijk.
‘Maar een voedselbedeling,’ zei de coördinator ten slotte, ‘lost natuurlijk het eigenlijke probleem niet op.‘
‘Want dat probleem is structureel,’ zei ik.
‘Juist,’ zei Erik, die, te oordelen naar de kleine verandering in de stand van zijn wenkbrauwen, niet graag werd beschoten met zijn eigen kaliber. ‘Maar,’ hernam hij, ‘we moeten onze actie toch niet relativeren, we mogen met andere woorden geen destructieve houding aannemen. We mogen er best van uitgaan dat we deze mensen toch een stuk warmte bieden. Een stuk geloof dat ze niet in de steek worden gelaten.’
Een stuk vlees van het derde garnituur, maar ik moet toegeven dat de groenten zeer vers waren. Jammer dat Anja ze tot moes heeft laten koken.
‘’t Is niet wat je noemt heldere soep,’ zeg ik, het deksel oplichtend en turend in een groenachtige pap met bruine schilfers en hier en daar een brokje oranje. | | 3. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY
‘Wat is er?’ zegt Erik, die verderop aan tafel belangrijk bezig is met papieren.
‘Een troebele boel,’ zeg ik.
‘De soep moet door de roerzeef, anders kan je hem niet drinken zonder lepel.’
‘Geef ze een wegwerplepel,’ zeg ik.
‘De soep gaat in een grote drinkbeker,’ zegt Erik. ‘Ervaring heeft uitgewezen dat dat de manier is.’
Tijdens een hittegolf speelt hij waarschijnlijk ijscoman in de krottenbuurt. Wat zou hij doen in de wereld zonder ellende die hij wil bereiken?
De soepbedeling vindt plaats op een trottoir vlak bij het station, waar vannacht verwarmde wachtkamers zullen worden opengesteld. Aan het ene uiteinde van de lange tafel, die fungeert als toonbank, staat de coördinator: hij neemt een kartonnen beker uit een zak en een kartonnen bordje uit een andere zak, en overhandigt deze aan de cliënten – want de aanzwellende rij schooiers is voor de gelegenheid tot ‘de clientèle’ bevorderd, en de banken en schraagtafels verderop zijn voor hetzelfde geld ‘het restaurant’.
In het midden staat Anja, roerend in en scheppend uit de dikwandige pan, waarin de soep aan het dampen wordt gehouden door het lage vuur van een gaskomfoor.
‘Wat een verschil met de negentiende eeuw,’ zeg ik, ‘toen de soep warm werd gehouden op een houtvuurtje. | | 4. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY ’
Anja glimlacht en geeft me een por met haar elleboog. Ze roert, om aanbranden te voorkomen, en ze hoeft met haar soeplepel maar twee keer te scheppen om een beker vol te krijgen. Het zijn brede en diepe wegwerpbekers, aan de buitenkant beschermd door een glimmende isoleerlaag om de clientèle verbrande fikken of verschroeide handschoenen te besparen.
De laatste statie ben ik, stokbrood in stukken snijdend, zo mogelijk identiek van formaat, want het parool is dus dat we enkel het schooierdom in zijn geheel een plezier willen doen, en niet een paar individuele schooiers –waarna ik drie stukken op het door de dakloze gepresenteerde kartonnen bordje leg en de cliënt smakelijk eten moet wensen.
Het vriest een paar graden. De soep dampt als een stoomtrein. Mijn handen zijn blauw en stram, want het is niet mogelijk gebleken om brood te snijden met handschoenen aan. Ik heb honger en neem regelmatig een hap van een stuk brood dat ik opzij heb gelegd.
De clientèle schuift aan en reageert zelden op mijn wens om het te laten smaken. Men gaat aan tafel zitten en men eet. Tussendoor wordt er wat gekucht en gehoest en gesnuft, maar weinig gepraat.
‘Erik zegt dat je moet stoppen met eten,’ fluistert Anja mij toe. | | 5. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY
‘Ik heb honger,’ zeg ik, nog een hapje nemend.
De coördinator komt bij Anja staan. ‘We wisselen even van plaats,’ zegt hij. Hij gaat nu de soep inscheppen, en Anja deelt het wegwerpservies uit. Ik kauw het brood dat ik uitdeel en zou mijn handen kunnen warmen aan de gloeiende irritatie in Eriks ogen.
‘Niet eten,’ zegt hij.
‘Pardon?’ zegt de dakloze die de coördinator zijn beker presenteert.
‘Excuseer, meneer, het was niet tegen u.’
De cliënt houdt zijn bord klaar voor het brood. ‘Smakelijk,’ zegt hij tegen mij.
‘Jij ook,’ zeg ik. ‘Hier, een extra stukje.’
‘Dank u wel.’
De volgende cliënt wenst mij geen smakelijk eten toe. ‘Hé,’ zegt hij, wijzend naar zijn voorganger. ‘Waarom krijgt hij vier stukken en ik maar drie?’
‘Omdat ik jou niet sympathiek vind,’ zeg ik.
De man knikt alsof het hem al eerder werd gezegd en gaat aan tafel zitten. Erik komt tegen me aan staan. Ik voel zijn adem in mijn oor.
‘Rustig,’ zeg ik. ‘Denk aan de clientèle.’
‘Hou op met eten en volg de procedure,’ fluistert hij. ‘Drie stukken brood voor iedereen. Niet vier, niet twee. Drie.’
‘Ik heb er nog maar twee gehad,’ zeg ik.
‘Als het je niet bevalt hoepel je maar op,’ zegt hij. | | 6. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY ‘En als je nog één stuk brood in je mond steekt, dan –’
‘Zeg eens,’ roept de cliënt die klaarstaat bij de soepketel. ‘Worden we hier nog bediend of hoe zit dat?’
Erik schiet naar de soeppot en gaat door met scheppen. Ik ga achter zijn rug langs naar Anja.
‘Zet die bekers maar bij de baas,’ zeg ik, ‘en de borden bij het brood. Hij neemt een beker en schept in, jij neemt een bord en legt het brood erop.’
Want een derde paar handen achter die tafel was eigenlijk overbodig – hoe duidelijk wordt dat niet als ik plaatsneem aan de andere kant van de tafel en aansluit bij de rij.
Spoedig sta ik oog in oog met Erik, klaar om mijn soep in ontvangst te nemen. Hij ziet rood, en niet alleen van de kou.
‘Jij bent geen dakloze,’ zegt hij.
‘Hoe weet je dat?’
‘Ja,’ zegt de jonge schooier achter mij. ‘Hoe weet je dat? Ik ben trouwens ook geen dakloze.’
‘O nee?’ zegt Erik. ‘Goed. Dan krijg jij ook geen soep.’
Ik kijk de jongeman aan: zijn kleren zijn redelijk zuiver. Hij heeft zich geschoren en zijn haar is niet vettig.
‘Ik ben niet dakloos,’ zegt de jongeman, ‘maar ik heb al sinds vanmiddag niets meer gegeten.’
‘Soep,’ zeg ik.
‘Als wij geen soep krijgen,’ zegt de jongeman, ‘dan krijgt niemand hier nog soep. | | 7. | | BANKVLEES — JAN VAN LOY ’
Ondertussen staat er nog een schooier of twee achter ons te wachten. De jongeman duwt mij opzij en kijkt de soepketel in.
‘Wat is dat voor een brij?’
‘Wilt u alstublieft weggaan,’ zegt Erik.
‘Nee, serieus, wat zit daarin? En dat met drie hompjes wit brood? Na een kwartier heeft een gemiddelde dakloze dit verteerd en lijdt hij nog meer honger. Nooit gehoord van de bloedsuikercurve?’
Erik slaat zijn ogen ten hemel.
‘Om alle verschoppelingen ter wereld een symbolische dienst te bewijzen,’ zegt de jongeman, ‘lever ik deze bijdrage tot de soep.’
Uit zijn broek haalt hij een verfrommelde zakdoek en laat deze in de soep vallen. Anja slaat een hand voor haar mond en kijkt mij aan alsof het mijn zakdoek is. | | 8. |
|