the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview Annejet van der Zijl

Op een winterse dag in januari 1929 fotografeerden hospita en kostganger elkaar in de versgevallen sneeuw in de Azaleastraat. Beiden hadden zich zichtbaar uitgedost voor de gelegenheid. Met zijn pak, zwierige hoed, lichte regenjas en sigaret in de hand kon Waldemar zo weggelopen zijn van een van de portretten van elegante Surinaamse mannen waarmee schilderes Nola Hatterman in deze jaren opzien baarde. Rika stond er koket bij in haar met bont afgezette mantelpakje, en iets in haar blik suggereert dat de verhouding tussen haar en Waldemar toen al niet helemaal zakelijk meer was. De maand daarop was dat zeker niet meer het geval, want in de vroege lente moet ze zich gerealiseerd hebben dat ze weer zwanger was, en dat dat alleen maar van haar jonge, zwarte kostganger kon zijn.

- uit Sonny Boy

met:
Annejet van der Zijl
Stacey Knecht

boeken:
Sonny Boy


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Laten we bij het einde beginnen, het nawoord van Sonny Boy. Daarin schrijf je dat biografieën zoals deze, over gewone, onbekende burgers, bij uitstek bewijzen hoe je ‘door een “kleine”, persoonlijke geschiedenis als uitgangspunt te nemen, de “grote”, algemene geschiedenis invoelbaar en begrijpelijk kan maken.’

AvdZ — Het is een manier om de vooroordelen en de morele mening van tussenliggende generaties, van de geschiedenis af te halen. Wat ik daar zelf fascinerend aan vind is om uit te gaan van informatie die mensen op dát moment hadden: hoe zag hun wereld op dát moment eruit? Dus niet meteen ‘schande!’ roepen als iemand in 1937 of 1938 voor de Nazis was, maar je af vragen wat dat in die tijd betekende, hoe dat toen zat.
Dat verhalende, dat heb ik denk ik opgepikt uit boeken van mensen als J.P.Bouman en Jan Romein. Want wat ik me herinner van dat soort boeken die bij mijn vader in de kast stonden – als ik me als kind verveelde en zelf geen boek meer had ging ik daar in zitten lezen – dat er toen veel meer aan verhalende geschiedenis gedaan werd dan de laatste tien, vijftien jaar.


SK — En met verhalende geschiedenis bedoel je... ?

AvdZ — Nou, dat je de geschiedenis vanuit het individu bekijkt. En dat het ook inderdaad een verhaal wordt, met kop en staart en spanningsopbouw. Geert Mak en ik hadden het laatst nog over Bouman, en dat die zo onterecht vergeten en verguisd was. Wat ik me herinner van zijn Revolutie der Eenzamen was dat het bestond uit persoonlijke verhalen waar dan die grote geschiedenis er doorheen geweven was. Ik vond dat heel mooi.
En verder is het… nou ja, ik vind het ook gewoon leuk om te doen. Ik vond het bij het schrijven van de biografie van Annie Schmidt heel prettig om die geschiedenis zo mee te laten lopen in haar verhaal. Bij mijn eerste boek, Jagtlust, heb ik dat achteraf het minste gedaan – als ik dat nu over zou doen, zou ik dat aspect misschien nog sterker aan gaan zetten. Alhoewel het in dat geval misschien juist wel pastte om vanaf een bepaald punt de buitenwereld min of meer te vergeten: Jagtlust was zo’n wereldje op zichzelf. Ik vind het een mooi idee dat je als een soort vogel boven alles hangt en dan inzoomt naar de details, alsof het een film is. En dan weer teruggaat naar het grote geheel. Dat geeft extra lagen aan zowel de geschiedenis als aan het persoonlijke verhaal.


SK — Misschien is het ook een manier om een zekere objectiviteit te handhaven, tegenover de feiten. Alhoewel, vind je eigenlijk dat een biograaf objectief moet zijn?

AvdZ — Ik zou het moeilijk vinden om een biografie te schrijven van iemand waar ik heel erg tegen op kijk. Dat gebeurt namelijk veel: mensen schrijven een biografie van iemand die ze bewonderen. Ik vind het juist het prettigst om ergens over te schrijven waar ik aanvankelijk niks van weet. Of zo min mogelijk.


SK — Waarom?

AvdZ — Omdat ik dan het verhaal heel zuiver blijf bekijken. Daarom zou ik niet snel over mijn eigen geschiedenis, mijn eigen familiegeschiedenis gaan schrijven, want dan ben je bijna per definitie niet objectief. Neem bijvoorbeeld Suriname – daar wist ik helemaal niks van toen ik aan Sonny Boy begon. Ik had nooit een Surinaams vriendje gehad of wat dan ook.
Voor mij is mijn werk vooral een manier om de wereld te ontdekken. Ik vind het niet zo interessant om iets waar ik al heel veel van weet, om dat nog eens op te gaan schrijven. Het is juist zo leuk om daar elke keer met grote ogen in te gaan, zo van: goh, wat was dit eigenlijk? Wat was dit voor wereld, wat waren dit voor mensen? En Annie Schmidt, daar wist ik ook praktisch niks van. Ik was zelfs zonder haar werk opgegroeid.


SK — Hoe kan dat nou?! Je bent volgens mij een uitzondering in dit land...

AvdZ — Ja, zeer! Ik heb een Schmidtvrije opvoeding gehad.


SK — (lacht)

AvdZ — Mijn ouders waren – en zijn – nogal intellectueel en Annie M.G. Schmidt was, in de jaren 70, toen ik kind was, een beetje ordinair, die schreef voor televisie en maakte musicals en zo... Mijn ouders gaven me prachtige kinderboeken: Niels Holgersson en Andersen, de echte klassiekers. Annie Schmidt vonden ze een beetje te gewoontjes, niet op niveau.


SK — Nou, dit heb ik nog nooit gehoord...

AvdZ — Ja, ik hoor het wel vaker van mensen van mijn leeftijd. Op lagere scholen was ze toen ook niet zo ‘in’. Er was kennelijk een soort luwte tussen de generaties. Officieel behoor ik ook de ‘verloren generatie’, en kennelijk hebben wij, behalve dat wij al tot een verloren generatie moesten behoren het ook nog zonder Annie M.G. Schmidt moeten doen! Ze brak pas later door: in de tachtiger jaren is het omgeslagen.
Dus ik wist eigenlijk niets van haar af. Had ook helemaal geen idee of het wel of niet een leuke vrouw was. Ik had wel een soort nieuwsgierigheid. Ik dacht, er moet meer achter die vrouw zitten dan die buitenkant die ze met zoveel verve presenteerde. Ik denk dat dat een belangrijke reden is geweest dat Flip, de zoon van Annie Schmidt, zo graag wilde dat ik dit boek ging schrijven. Omdat ik waarschijnlijk de eerste was die hij in jaren tegenkwam die níét zei, ‘O Flip! Ik vond je moeder zo geweldig!’ Hij had zelf veel vragen over zijn moeder, dus met wéér een bewonderaar zou hij niet verder zijn gekomen. Die zou misschien geneigd zijn om dingen positiever in te kleuren dan ze waren. Maar als je er, zoals ik, nog niet zoveel over weet en ook geen vooropgezette mening hebt… En misschien zijn de dingen die mij als leek opvallen ook wel precies de dingen die het verhaal interessant maken voor de lezers.


SK — Heb je als biograaf een zekere verantwoordelijkheid tegenover je lezers?

AvdZ — Ik voel een verantwoordelijkheid ten opzichte van mijn onderwerp. Ten opzichte van het verhaal zelf. Ik heb altijd het gevoel dat een verhaal er al is, en dat ik het alleen nog maar hoef te vinden. En dat het verhaal zelf graag verteld wil worden. Dat gevoel had ik bij Sonny Boy heel sterk. Ik wilde dat verhaal recht doen. Dus ik ben eigenlijk, eerlijk gezegd, niet zo met de lezers bezig... ik ben met het verhaal bezig, met de mensen waar het over gaat.
In mijn beleving heeft ieder verhaal een vorm die het het beste past. Ik kan me zo voorstellen dat als je fictieschrijver bent, of beeldhouwer, dat je dan hetzelfde gevoel hebt: ergens in die steen zit dat beeld al. En dan is het zoeken. In het begin ben ik altijd heel ijverig alle gegevens en feiten aan het verzamelen. Dat is veel werk, maar het vergt emotioneel verder niet zoveel van me. Dat is gewoon leuk gepuzzel. Op een gegeven moment moet ik het een vorm gaan geven en dan moet ik keuzes maken. En dat is lastiger.


SK — Ik vroeg je over verantwoordelijkheid omdat ik denk dat mensen die een biografie lezen – hoewel Sonny Boy eigenlijk niet als ‘biografie’ wordt gepresenteerd…

AvdZ — ... het stond zelfs in de fictie top-10…


SK — ... precies. Maar ik kan me voorstellen dat er toch mensen zijn die verwachten dat wat ze lezen wáár is. Dat ze feiten krijgen voorgeschoteld. Wat is jouw rol daarin? Hoe sta jij er tegenover?

AvdZ — Nou, in gesprekken met andere literaire non-fictie schrijvers merk ik wel eens dat ik relatief streng ben wat betreft de feiten. Ik zou nooit een hard feit verbuigen omdat het dan net iets mooier is. Ik zou bijvoorbeeld niet iemand een krant in zijn hand geven op zijn sterfbed, terwijl ik geen enkele aanwijzing of getuige heb dat hij die krant inderdaad in hand had, alleen maar voor het effect. En als het regent in mijn boek dan heb ik gewoon het weerbericht nagekeken. Ik probeer daarbij zoveel mogelijk in de voetsporen van mijn hoofdpersoon te treden. Dus ik ben zelf met een boot naar Zuid Amerika gevaren, ik heb zelf gezien en ondervonden hoe het klimaat, hoe het licht en de kleuren onderweg veranderen. Dus in die zin ben ik heel precies. Ik kan ook weken in archieven zitten te zoeken naar een zinnetje of een dingetje. Als ik ergens niet achter kan komen en dus moet gaan veronderstellen, dan schrijf ik het op een manier dat duidelijk maakt dat het geen vaststaand gegeven is. Dan staat er iets in de zin van: ‘Het moet voor hen wel lastig zijn geweest om...’ Plus het feit dat als ik het manuscript af heb het toch snel aan dertig, veertig mensen voorleg…


SK — Zoveel?

AvdZ — Ja, heel erg veel mensen. Ik vind dat prettig.


SK — Deskundigen?

AvdZ — Nou, om te beginnen natuurlijk de familieleden, alle mensen die me geholpen hebben, maar bij Sonny Boy ook bijvoorbeeld de directeur van het NIOD, historici en andere mensen in Suriname waarvan ik het gevoel had dat ze er iets zinnigs over konden zeggen. Zo had de directeur van het Surinaamse Museum mijn manuscript weer voorgelegd aan Leo Ferrier, de oude Surinaamse schrijver. Zijn reactie was: ik herken me zo in de hoofdpersoon, zowel in Nederland als in Suriname. Daar was ik zo blij mee. Toen dacht ik: oké, kennelijk is het me gelukt om in de huis van een zwarte man te kruipen.
Dus ik ben wat dat betreft heel precies. Ik wil eigenlijk dat alles klopt. Dat lukt natuurlijk nooit helemaal en ik krijg dan ook altijd wel brieven van lezers in de trant van, ‘U schrijft hier over de Simon Stevinstraat, maar het heet alleen de Stevinstraat’. Dat vind ik geen probleem, ik vind het alleen maar prettig om dat in de volgende druk weer te kunnen verbeteren. En juist al die details maken het verhaal wáár. Ik zou veel van wat er in mijn boeken gebeurt werkelijk niet kunnen verzinnen.
Wel heb ik in Sonny Boy natuurlijk allerlei literaire technieken gebruikt – tenminste, dat lees ik in andermans stukken over Sonny Boy, ik heb er zelf niet zoveel verstand van – bijvoorbeeld het gebruik van water, de zee als metafoor en rode draad. Maar dat verzin ik niet, dat ís gewoon zo, dat zijn de cadeautjes die het verhaal me gaf. Het liefst zou ik hebben dat wie dit boek leest de hele tijd het geruis van de zee op de achtergrond hoort, zoals ik dat hoorde toen ik schreef.
Hetzelfde geldt voor de titel van een boek, voor de hoofdstuktitels. Die vallen me in, en dan denk ik: ja, zo is het. Anna, bijvoorbeeld is in drie delen verdeeld: Zus, Anna, Annie. Dat ontstond tijdens het schrijven en dat was gewoon zo. Dat was waar, dat voelde waar.
Natuurlijk, het is dan míjn waarheid, maar ik vind wel dat de lezer er vanuit moet gaan dat de gepresenteerde feiten kloppen. En die licht ik dan nog wat verder toe in mijn voor- of nawoord. Ik weet nog dat ik Het zwarte met het witte hart van Arthur Japin een heel mooi boek vond, maar ik vond het jammer dat ik nergens uit op kon maken welke documenten nou echt waren en welke door hem verzonnen. Ik kan me niet voorstellen dat ik in Sonny Boy een brief zou zetten die verzonnen was. Dan zou ik het gevoel hebben dat ik de echte brieven, de echte bestaande mensen geweld aan doen.
Met Sonny Boy had ik natuurlijk wel een groot probleem. Om te beginnen geloofde niemand erin dat het een interessant boek op zou leveren. Iedereen verwachtte dat ik weer iets zou gaan maken in de trant van Anna en was verbaasd dat het over onbekende mensen ging. En ik wist dat als ik in dit geval gewoon de klassieke biografievorm zou gebruiken die ik bij Anna hanteerde – hoewel ik daar ook al behoorlijk aan het verhalen was – het inderdaad teveel een particuliere geschiedenis zou worden. Ik moest stilistisch alles uit de kast halen om mensen te verleiden en te verlokken om het boek toch te lezen.


SK — Ondanks het feit dat die mensen volstrekt onbekend waren…

AvdZ — Precies.


SK — Wat wil je de lezers laten ontdekken, als ze eenmaal verleid zijn om Sonny Boy op te pakken?

AvdZ — Misschien dat ik hoopte dat ze hetzelfde melancholieke gevoel kregen dat ik bij dit verhaal had. Dat ze nog eens zouden stil staan bij de ironie van de geschiedenis, het waanzinnige van de oorlog sowieso. En ook over de verschillen tussen goed en kwaad - dat je dat wat gaat nuanceren, dat je ziet hoezeer toeval een rol speelt en hoe iedereen vanuit zijn beleving zijn eigen waarheid heeft. En dat waar die waarheden botsen, problemen komen. Ja.… Dit verhaal ligt zeer dicht bij mijn hart, ik denk het meeste van alles wat ik heb gedaan.


SK — Hoe hoorde je voor het eerst van het verhaal van Waldemar Nods?

AvdZ — Via een vriendin die getrouwd is met de kleinzoon van Waldemar en Rika. Die vertelde het me een jaar of vijftien geleden en het is al die tijd blijven haken. En toen kwam Anna uit en ik had werkelijk niet verwacht dat dat zo ongelooflijk veel met zich mee zou brengen. Ik had twee jaar met dat boek op zolder gezeten en verder het leven heel klein gehouden. Dat beviel me heel goed en het was dan ook een schok om weer zo met de buitenwereld geconfronteerd te worden, aan alle kanten door de media bepoteld en besnuffeld te worden. Ik wilde zo graag weer lekker weg kunnen duiken in een verhaal. En toen ben ik hierin gedoken. En dat kon opeens, ook financieel, omdat Anna zo succesvol was.
Het fijne van schrijven is dat – even kijken, ik heb het een keertje uitgeknipt, uit een Amerikaans blad (vist een papiertje uit haar tas): ‘Writing is a way to cheat the rule that says you only have one life to live’. Dat is voor mij werkelijk... dat ís het. Je moet alleen ontzettend oppassen want als je er teveel mee bezig bent, dan gaat dat verhaal, dat tweede leven, de overhand nemen en je echte leven wegdringen.


SK — Je zegt zelf, het verhaal van Sonny Boy ligt zeer dichtbij je hart, nog meer dan je andere boeken tot nu toe. Had je dat gevoel ook meteen toen je het verhaal hoorde? Of is dat langzamerhand gegroeid?

AvdZ — Dat groeide ook, naarmate ik de mensen beter leerde kennen en ik meer van ze wist en ik in Suriname was geweest... Dat heimwee van die man... het is net of je in een film stapt. Hoe meer je uitzoekt en uitvindt, hoe duidelijker die film zich ontwikkelt in je hoofd. En dan moet je het natuurlijk nog op papier zien te krijgen.
Maar dat proces is een heel verleidelijk iets, het is heel verslavend. Vooral ook omdat zo’n verhaal zoveel mooier en ronder en meer tot de verbeelding sprekend is dan je echte leven. Het gewone leven bestaat uit allerlei brokkelige toestanden en praktische onzin: niet vergeten melk te halen bij de Albert Heijn enzo... Dat is allemaal niet zo groots en meeslepend. Dan is zo’n verhaal natuurlijk veel spannender, je hebt het gevoel dat je daar iets gaafs mee neer kunt zetten.
Ik heb ook altijd ontzettend veel moeite om het los te laten. Als ik het manuscript moet inleveren dan háát ik echt iedereen en met name de uitgever en ook de rest van de wereld. Alleen de gedachte al dat al die mensen er aan gaan zitten, dat recensenten vanuit hun eigen humeur en oordelen er iets van gaan zeggen – of het nu goed of slecht is, ik heb daar dan zo’n moeite mee. Want het is mijn kindje, míjn verhaal, míjn boek, ik wil het gewoon bij me houden en beschermen tegen alles en iedereen.
Nu het boek al een tijd uit is, heb ik veel meer afstand. Nu ben ik vooral trots: ik ben trots dat dit simpele boek over deze gewone mensen op eigen kracht zo’n eind gekomen is. Als ik het zie staan in de bestsellerlijsten tussen John Grisham en Dan Brown denk ik: wat een stoer boek! Ik kijk er ook een beetje met verbazing naar, zo van, goh, dat dat boek dat zo voor elkaar krijgt!


SK — Kan je me iets meer vertellen over dat proces van gegevens verzamelen?

AvdZ — Ja. Ik praat veel met mensen, en ik zit veel in archieven. In dit geval was mijn voornaamste bron iemand die veertien was toen zijn ouders weggehaald werden, dus eigenlijk wist hij heel weinig. Er waren wat foto’s, maar de brieven waren er nog niet eens, die zijn pas later opgedoken. Er waren niet eens precieze geboortedata, er waren geen adressen, dus dan begin ik gewoon bij de burgerlijke stand. In het geval van Waldemar ben ik begonnen bij de burgerlijke stand van Den Haag. Dan zie je in ieder geval zijn complete naam, je ziet zijn geboortedatum, en ik zag op een gegeven moment dat hij dus bij Rika ging wonen, ik zag ook háár complete naam, de naam van haar ex-man, de kinderen en ook de adressen waar ze gewoond hebben. Dan krijg je langzamerhand een beetje houvast.
Dankzij dat archief wist ik wanneer Waldemar was aangekomen in Nederland en dus kon ik uitrekenen wanneer hij weggegaan was uit Paramaribo. Nou, dan ga je je verdiepen in hoe dat zat met de scheepvaart in die tijd en na veel bellen vind je iemand bij een archief die je wel de dienstregeling van de West Indische Mail Dienst wil toesturen en ook het krantenbericht waarin de precieze aankomstdata van die boten stond. Want dat is lang niet altijd even duidelijk, al naar gelang de weersomstandigheden deden ze daar langer of korter over. Toen had ik het geluk dat de desbetreffende archivaris naast die aankomstdata een stuk zag staan over net die bootreis, omdat er tijdens de overtocht een vrouw was overleden en dat aan boord een hele toestand was geworden. Nou dan ben ik blij, want ik wist dus zeker dat Waldemar dat meegemaakt had, en dat geeft zo’n verhaal kleur en leven.
Maar als je het uiteindelijk bekijkt hoeveel research en tijd ik besteed heb aan die twee, drie pagina’s die aan die bootreis gewijd zijn, dat is wel veel ja. En het is dus niet zo dat ik bij iemand kom en dat materiaal ligt dan allemaal keurig op volgorde in dozen en ik hoef dat alleen maar een beetje mooi op te schrijven.


SK — Dat zou je misschien niet eens zo leuk vinden.

AvdZ — Nee, dat zou ik ook niet leuk vinden, want ik vind die zoektocht op zich spannend en boeiend. Maar omdat ik de neiging heb het allemaal op zo’n vanzelfsprekende manier te vertellen, wordt het soms wel eens gedacht. Ik heb in een recensie wel eens gelezen: wat een goed idee van die Van der Zijl om dat verhaal op te schrijven. Alsof ik het kant en klaar aan de kant van de weg gevonden had! Terwijl er dus nog een heel verhaal achter zit, maar dat vertel ik dus niet. Ik schrijf niet: nou, en toen ging ik hélémaal naar Suriname en toen heb ik dagenlang gebeld en toen kreeg ik eindelijk die meneer aan de telefoon en al die acht andere meneren die ik ook aan de telefoon had, die wisten helemaal niks. Ik vind niet dat ik de lezer daar mee lastig moet vallen. Maar ik bewaar er wel warme herinneringen aan. Op zoek naar Waldemar ben ik in Paramaribo bijvoorbeeld naar een bejaardentehuis gegaan en mensen gezocht van dezelfde leeftijd als hij gehad zou hebben en ik heb gevraagd: hoe was Paramaribo in jouw jeugd, vertel eens. En zo langzamerhand krijg je dan een steeds beter beeld... het is echt puzzelen, je moet die puzzelstukjes allemaal vinden en je hebt geen voorbeeld. Dat vind ik leuk.


SK — Er staat een passage in Sonny Boy over de Hendrikschool, waar Waldemar als leerling zat vanaf juni 1923. ‘Ooit was deze school aan de Gravenstraat het exclusieve domein van de kinderen van plantage-eigenaren, rijke joden en Hollandse gezagsdragers geweest. De enige kleurlingen die je er zag waren de donkere dienstmeisjes die in de pauzes hun jonge meesters bij de poort stonden op te wachten met dienblaadjes met daarop glazen chocola of stroop, keurig afgedekt met papier tegen de vliegen.’ Vooral dat laatste, van die glaasjes met papier erop: je vertelt het alsof je het zelf gezien hebt, alsof jij er zelf bij was. Waar komt zo’n detail vandaan?

AvdZ — Ik ben naar die school gegaan, die bestond nog steeds, en ze hadden er van die gedenkboeken – je weet wel, dan bestaat zo’n school 25 of vijftig of honderd jaar. En in een van die gedenkboeken – ik geloof uit 1960 – hadden een aantal mensen van Waldemars generatie hun herinneringen aan hun schooltijd opgeschreven. Ja, en daar haal je allerlei details uit, zoals dat verhaal dat die juffrouw van de eerste klas op het schoolerf tijdens een regenbui de kinderen leerden hoe die rivieren stroomden. Dat maakt zo’n verhaal echt. Daarom ben ik ook zo verslaafd aan dit soort non-fictie, want als je mij de ruwe bouwstenen geeft van een boek en je zegt, verzin er maar een verhaal bij, dan zou ik toch bang zijn bij clichés uit te komen. Terwijl dit soort dingetjes – je voelt als lezer, dit is waar.
Ik wil dat het voor mensen is alsof ze in die film stappen, dat ze er helemaal inzitten. Ik vind het heel belangrijk om mezelf zoveel mogelijk buiten beeld te houden, ik wil niet tussen de lezer en het verhaal staan. Daarin verschil ik wel van veel andere non-fictie schrijvers, die ook zo’n verhaal nazoeken, maar daarbij ook heel aanwezig in het boek. Ik ben nergens in het boek, ik ben helemaal weg. En ik wil mezelf ook weg houden. Pas aan het einde duik ik even op – in het nawoord. Dat is bedoeld bij wijze van dank aan al die mensen die me geholpen hebben, als verantwoording aan de lezer, en in het geval van Sonny Boy ook als een soort nazorg, omdat het zo’n heftige einde is.
Maar hoewel ik het dus beschrijf als een roman, moet de lezer ook weer niet denken dat het een verzonnen verhaal is, en bij dat besef helpen ook die foto’s. Dat vind ik altijd heel belangrijk, een fotokatern en in dit geval nog meer omdat ik behalve dat verhaal dat ik vijftien jaar geleden hoorde, in die tijd ook al eens foto’s van het gezin had gezien. En die waren evenzeer in mijn herinnering blijven haken.


SK — Weet je nog welke foto’s dat waren, die eerste?

AvdZ — Ja, hoor, die feestfoto’s: het feest van het Pension Walda … en deze foto en ik geloof ook deze (wijst aan). En die foto’s fascineerde me ook. Dan zie je die twee en dan denk je, jee, hoe zou dat nou geweest zijn als vrouw in de jaren dertig met zo’n jonge, zwarte man... Ik zoek die foto’s niet uit op ‘mooi’, ik kijk in eerste instantie naar wat ze toevoegen aan het verhaal. Bijvoorbeeld: deze twee foto’s, genomen in de sneeuw toen ze elkaar net kenden: het zijn geen goede foto’s, maar als je je realiseert dat ze elkaar net twee, drie maanden kennen, dan krijgen ze een extra dimensie. Want er was toen al wat aan de hand: een maand later kwam ze er achter dat ze zwanger was. Ik heb ook altijd vier keer zoveel foto’s als er uiteindelijk in het boek kunnen – en dat is net zo’n moeilijke keuze als bij van de feiten of details die je moet weglaten: welke foto’s laat je weg, welke komen er in.


SK — Jij beschrijft dit boek in je nawoord als je eigen kleine onderzoek ‘naar het hoe en waarom van heldendom’. Hoe vind je het zelf dat deze mensen zulke risico’s hebben genomen, was je verbaasd daarover?

AvdZ — Ik vond het wel een bijzonder gegeven dat mensen die het al zo moeilijk hadden – en dat kan je wel veronderstellen, ze waren zulke paria’s in de samenleving – dat die het ook nog op konden brengen om joden te verbergen. Daar was ik door geïntrigeerd. Ik was toen als journaliste veel bezig met misdaadreconstructies en die gingen altijd over de vraag: waarom doet iemand iets slechts? Ik dacht, laten we eens een keer kijken naar de vraag waarom iemand iets goeds doet. Dat zoek je dan uit en dan blijkt dat er zoveel toeval bij zit... en dat het vooral veel menselijker is allemaal dan je van te voren denkt. Voor mij is dat iets hoopvols.


SK — Iets goeds doen is menselijker dan je dacht?

AvdZ — Nou… meer dat heldhaftig gedrag niet iets onwezenlijks nobels is, dat net als echte slechtheid heel ver van je af staat. Bij het heldendom van Rika en Waldemar kun je je iets voorstellen, juist omdat het allemaal zo toevallig en onhandig was, half omdat het zo uitkwam, half omdat ze nu eenmaal een bepaald soort karakter en instelling hadden. Je denkt: ja, zo gaan die dingen dus.


SK — Wat is dan een held?

AvdZ — Dat weet ik niet, daar ben ik nog niet helemaal uit. Mensen kunnen dat op zoveel verschillende manieren zijn. Ik denk dat Waldemar en Rika pas echt helden werden tijdens die verhoren. Want dat ze joden gingen verbergen, bleek in dit geval – maar ik denk in veel gevallen – een tamelijk pragmatische keus te zijn. Ze waren door de oorlog hun pension aan zee kwijtgeraakt, Rika hield ervan om veel mensen over de vloer te hebben, ze kenden veel joden, ze hadden de goede contacten en rolden zo de Jodenhulp in. En als je bedenkt dat er in die tijd nog maar negen maanden gevangenisstraf op stond, was het niet eens zo’n hele grote stap. Dus het is vanuit die tijd zelf bekeken zo’n ander verhaal dan zoals je het nu bekijkt. Nu denk je, jee, iemand die joden helpt, dat staat ver boven je.
Ik vind het hoopvol omdat het menselijker is. Omdat je ziet hoe in kleine dingen met kleine beslissingen er toch goede dingen kunnen gebeuren. Wat ik zelf een kernzin vind van dit boek, en ook een antwoord op mijn onderzoek naar heldendom, is deze: ‘Het waren ook meestal niet de slechtste huwelijken waarin besloten werd onderduikers op te nemen. Want misschien loutert lijden niet altijd, liefde doet dat meestal wel.’ Ik denk dat mensen die het goed hebben met elkaar, die het gevoel hebben veel te krijgen, ook veel makkelijker geven.
Het allermoeilijkste van het schrijven van dit boek was het feit dat het zo verdrietig afloopt. Terwijl ik mensen niet zonder hoop wilde achterlaten, ik wilde niet dat ze alleen maar leeg en kapot en hopeloos achterbleven als ze het uit hadden. Wat ik bij sommige boeken zelf wel gehad heb. Ik weet nog, De geverfde vogel van Jerzy Kosinski – ik ben daarna dagen van slag geweest. Het ene verhaal na het andere en allemaal even gruwelijk. Je krijgt het gevoel: de mensen zijn zo slecht. Ik kon er helemaal niet tegen. Toen was ik ook wel weer een stuk jonger, hoor, maar ik weet nog zo goed wat voor indruk dat op mij heeft gemaakt. Dus ik wilde proberen om Sonny Boy ondanks het trieste einde toch een soort hoopvolheid, een soort lichtheid mee te geven.
Voor Waldy zelf is het in ieder geval een happy end geworden, er is bij hem een gat in zijn ziel opgevuld. Voor hem was het al die jaren zo’n trauma geweest, ook vanwege het feit dat hij zelf niet bij machte was het op te schrijven. En hij nu weet wat er met zijn vader gebeurt is… Hij heeft daar nu zoveel meer vrede mee. Hij zegt: ‘Mijn vader is tenminste als vrij man gestorven, in zijn element.’ En misschien is het feit dat mensen die zo ondergeschoffeld waren geraakt in de geschiedenis als deze twee, weer onder de puinhopen vandaan zijn getrokken, al is het alleen op papier, op zich al iets optimistisch. Verder hoopte ik maar dat het boek zou kunnen zijn als treurige muziek, waar je toch blij van wordt omdat het tegelijkertijd zo mooi is.
En verder is het einde natuurlijk maar een deel van het boek. Toen ik Sonny Boy aan het schrijven was hoorde ik wel eens van mensen: maar Annejet, alwéér een boek over de oorlog! Wie wil dat nou lezen? Maar in de meeste boeken over de oorlog is het net alsof het leven van de hoofdpersonen pas bij de aanvang van de oorlog begint. In dit boek is de oorlog maar een gedeelte, en niet meer dan dat. Het is een heel leven en in dat leven zat er ook heel veel plezier, dat zie je ook aan die foto’s, de warmte en de leukigheid, je ziet ook hoe goed ze het hebben gehad, het waren geen verloren levens.


SK — Kan een biografie ooit ‘definitief’ zijn?

AvdZ — Nou, nee. Want tijden veranderen. Kijk, ik zoek natuurlijk naar een soort waarheid en daarvoor interview ik verschrikkelijk veel mensen en raadpleeg archieven en lees boeken. Maar uiteindelijk is het verhaal wat ík erin zie, dat wat er op papier komt. Nadat Anna was verschenen is er een toneelstuk over haar geschreven waarvoor flink geput was uit mijn boek. Maar die schrijver had die dingen in een heel andere context geplaatst, waardoor een heel negatief beeld ontstond van Annie Schmidt. Dat was zíjn waarheid, dat was de waarheid die híj zocht. Hij wilde graag laten zien dat er achter die beroemde mevrouw eigenlijk een nare dame schuilging. Persoonlijk vind ik natuurlijk mijn eigen waarheid het meest ‘waar’, maar hebben we dat niet allemaal, bij alles?
Het verhaal van Waldemar en Rika en Waldy is dus wel degelijk iets van mij. Iemand anders zou zich misschien helemaal geconcentreerd hebben op de discriminatie – dat speelt bij mij ook wel een rol, dat het een zwarte man was in een blanke wereld, maar het is maar een stukje. Ik heb de relatie tussen die twee mensen en de geschiedenis als belangrijkste thema genomen. Bij Annie is het hetzelfde: iemand anders had zich wellicht geconcentreerd op al haar collega’s en kunnen zeggen, goh, daar haalde ze dus al haar inspiratie vandaan. Terwijl ik haar levensomstandigheden en haar karakter zag en concludeerde dat ze in eerste instantie schreef vanwege het geld, omdat ze haar getrouwde minnaar zo graag bij zijn vrouw weg wilde halen.
Ja, al die keuzes zeggen natuurlijk ook iets over mij. Zoals Sonny Boy voor mij persoonlijk een klein onderzoek was naar heldendom, zo had ik bij Anna als basisvraag: in hoeverre overleven mensen hun jeugd? In hoeverre bepaalt je jeugd wie je bent en in hoeverre kun je daaraan ontsnappen? En ik zag bij Annie dat ze een heel groot deel van haar jeugd achter zich wist te laten, maar er uiteindelijk toch weer door in haar nekvel gegrepen werd.
Dus het komt er op neer dat ik mijn eigen vragen over het leven uitzoek via de verhalen van anderen. En ik ben een gelukkig mens dat andere mensen dat wat ik er dan over opduikel, kennelijk graag lezen.
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.