the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview D. Hooijer

Ik wilde rustig leven en koos een beroep met zo min mogelijk bazen. Daarom ging ik de hei op om stenen te zoeken, stenen voor de verkoop. De koper kan beslissen hoe bijgelovig hij met een steen wil omgaan.

- uit 'Kruik en kling'

met:
D. Hooijer
Stacey Knecht

boeken:
Zuidwester meningen


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Je bent als dichter begonnen, onder de naam Milly Wiers. Waarom toen die stap gemaakt naar korte verhalen?

DH — Nou, ik maakte al mijn leven lang gedichten en daar maar mee leuren, bij de uitgevers... Ik stond wel eens in De Revisor, ik geloof dat niemand mijn gedichten las, maar dat is gewoon. En ze werden steeds niet uitgegeven. Van: we zien dat het werk goed is, maar we hebben andere dichters. Eindelijk werd er gezegd: Schrijf verhalen! Maar dat wilde ik niet.


SK — Wie zei dat?

DH — Iedereen.


SK — Waarom?

DH — Omdat ik die gedichten steeds terugkreeg. Ze zeiden altijd dat ik zo goed kon vertellen, maar dat zijn geen goede korte verhalen – ‘vertelverhalen’, anekdoten enzo, ook niet om te lezen. Toen ben ik er toch maar eens tijdens een regenachtige zomer wanhopig aan begonnen. Ik vond het zo moeilijk! Een kort verhaal afmaken, en dan wéér een, en niet op die inspiratie van gedichten, hè. Ik heb ze maandenlang opgeborgen en toen met Kerstmis ben ik opeens naar boven gegaan, ik draaide die verhalen uit en ik dacht, ze zijn wel aardig... Ik heb er iets aan veranderd en meteen die avond op de bus gedaan. Ik zei, ik ben even naar de post. Vonden ze allemaal heel gewoon dat ik met Kerst naar de postbus ging.
Toen kreeg ik tot mijn stomme verbazing van Mirjam van Hengel van uitgever Van Oorschot zo’n enthousiaste brief dat ik zei, ik heb verder niks, de rest is in ieder geval minder. Toen ben ik druk gaan schrijven. Mirjam gaf me af en toe wat advies – en ik maar schrijven. Op een gegeven moment had ik genoeg verhalen voor mijn eerste bundel, Kruik en kling.
Ik vind het heerlijk om te doen, maar nog altijd moeilijk. En het wordt steeds moeilijker. Je moet de mensen voor je zien en je moet ze beschrijven, maar natuurlijk niet hele alinea’s, want dan is je verhaal op. Ik heb zelf de neiging om iemand minutieus te beschrijven. Maar dat moet je nalaten, je moet heel veel weglaten en zelfs de dialoog moet je heel hard aan werken, want de gewone mensendialoog kán niet in deze verhalen.


SK — Moeilijk, ja, maar een gedicht schrijven lijkt me ook niet makkelijk.

DH — Ja, maar bij gedichten heb ik voor mijn gevoel veel meer vrijheid. Ik denk dat poëzie altijd op de vleugels gaat van inspiratie. En dan kan je wel zeggen, ja, dat is ook werken, maar je begint toch met dat metrum. Mensen zeiden dat mijn gedichten geen maat hadden, geen melodie, maar ik ben het niet met ze eens, ik vind dat ze dat wel hadden. Maar korte verhalen...


SK — Lees je zelf korte verhalen van anderen?

DH — Ja. Ja. Maar niet als ik zelf aan het schrijven ben. Anders haal ik ze door elkaar. Wie ik wel veel lees als ik aan het schrijven ben – ik ben er helemaal van bezeten – dat is Karel van het Reve. Hij zit me niet in de weg met plots of intriges. Weet je wat het is, als je ouder wordt, dan wil je geen romans meer. Ik vind het zo erg dat hij dood is, dat ik hem niet kan spreken.


SK — Hoe komt het dat je steeds minder romans leest, of wil lezen, als je ouder wordt?

DH — Je hoeft niet te weten hoe het goed komt. Ook al die tekenfilms, als kind was ik daar helemaal gelukkig mee en dat is helaas... je hebt er genoeg gezien en romans ook.


SK — Je gelooft het gewoon niet meer.

DH — Nee. Of, ik gun ze alle goeds en dan moet je altijd nog eerst door al die ellende heen, van een roman. Nee. Weet je wát ik ook lees? Brodkey. De Amerikaanse Proust. En dat is weer zó goed. En wat ik ook lees, onvertaald, dat is Epstein – óók een Amerikaan. Korte verhalen. Joods, joods en nog eens joods. De titel is ook: Fabulous Small Jews. Zo’n lieve man is dat. Ik geloof dat hij nog wel leeft. Maar nog niet vertaald. Brodkey is natuurlijk wél dood.


SK — Dat jij minder romans leest dan vroeger en meer naar non-fictie neigt: is dat in jouw eigen werk terug te vinden?

DH — Denk het wel. Ja. Dat is waarschijnlijk toch het gebrek aan die ontzettende hoop die in romans geschapen wordt, en altijd die jonge levens, die eeuwige jonge levens met de romantiek... Ik zeg niet dat ik daar moe van wordt, of cynisch, maar ik hoef het niet meer te lezen. En die Epstein, die is behoorlijk oud, als je het mij vraagt. Die oude mensen, die zijn óók nog verliefd en die zijn óók nog van alles en nog wat, maar op een andere manier. Was het maar omdat ze opeens veertien dagen later dood kunnen zijn. Dat vind ik op het ogenblik interessanter.


SK — Dat doet me opeens denken aan een passage uit een van je verhalen, over vrouwen van verschillende leeftijden die naar de kapper gaan. Ik zoek het even op... Hier: lees je het voor?

DH — Ja, dit is uit het verhaal ‘Mayrhofer’. De kapper, Richard, denkt na over de vrouwen die bij hem binnenkomen: ‘Een vrouw van vijftig zei meestal dat ze nu eindelijk wist hoe ze het wilde. Een vrouw van zestig deed somber omdat ze niets mocht verwachten. Vrouwen van rond de dertig lieten zich niets zeggen, ze hadden thuis een man in zijn bloei, een kapper moest stil zijn. Meisjes van zestien jaar glimlachten als de kapper hun lange gezonde haar afknipte, verfde, terugkamde en verpestte met lak. Ze kwamen er verpest en toch prachtig uit te voorschijn en daar ging het een kapper om.’


SK — De verschillende stadia in het leven van een vrouw. Het zorgeloze, ‘komt-toch-wel-goed’ van de jeugd versus de somberheid van het ouderdom.

DH — Ja. Dat is het.


SK — Ik heb uit nieuwsgierigheid een aantal recensies gelezen over Zuidwester meningen. Veel recensenten hebben het over ‘die absurde verhalen’ en het woord ‘bizar’ valt ook nogal vaak –

DH — Áltijd.


SK — Is het jou opzet om ‘bizarre’ verhalen te schrijven?

DH — Wel nee. Ik snap ook niet... Ik was echt verbaasd dat mensen ‘gekke vrouw’ riepen. ‘Wéér een gekke vrouw!’ zei Wim Brands toen ik bij hem voor een interview kwam. Want hij had net Nelleke Zandwijk in het programma gehad en daarna Charlotte Mutsaers, ze hadden ruzie gekregen. Maar na vijf minuten praten concludeerde hij dat ik geen gekke vrouw was. En ik zei, nee, natuurlijk niet. Ik heb mijn rijbewijs, ik heb mijn typdiploma en als je gek bent dan haal je dat niet. Gekken zitten in een gesticht en die zijn niet interessant. Een echte gek is niet mooi. Dat is afschuwelijk.
Dat vind ik zélf nou gek, dat mensen mijn personages zo vreemd vinden. Zitten ze dan nooit in de tram? Wonen ze niet in een buurt? Komen daar geen mensen langs? Staan ze niet aan het hek, met ouders? En grootouders? Ik begrijp dat niet. Nee, het was zeker niet mijn bedoeling om gek te doen ofzo, of bizar. Het tegendeel heb ik ook geprobeerd. Ik dacht, nu ga ik een ‘gewoon’ verhaal schrijven. En daar heb ik dus de hele winter ermee verpest. De hele winter is aan dat verhaal opgegaan. Ik kon het niet.


SK — Wat houdt dat in? Een ‘gewoon’ verhaal schrijven?

DH — Nou, ik heb toen twee verpleegsters genomen – in mijn verhalen is er altijd wel iets uit de historie, altijd iets wat wáár is – dus ik weet van een mevrouw, die woonde in Laren, die kwam een rijke man tegen, daar trouwde ze mee, kwam in een villa, ze heeft haar man helemaal verpleegd en ze heeft het huis geërfd. Toen kwam de volgende man en daarna nog een man. En die vrouw was miljonair geworden. En toen dacht ik, dat is leuk, want die vrouw was beslist niet gek, het was een verpleegster. Maar een hele aantrekkelijke (lacht). Nou, en daar ben ik aan begonnen, zij en haar vriendin, maar in mijn verhaal is ze dan niet zo aantrekkelijk. Ze krijgt het verwijt dat ze mannen vermoordt, kussen op hun gezicht doet ofzo, daar zit ze mee. Maar goed, dat is wel een moeilijk verhaal. En het zou langer moeten zijn. Maar daar ben ik niet goed in, in een lang verhaal. Ik denk jemig, waar moet het naartoe, wat wil je daar nou mee enzo. En dit verhaal moet ook gewoon blijven. Er mag niks in gebeuren. En vooral dan zonder drama want met drama is het geen kunst om ernstig te zijn. Dat meen ik. Mag ook geen geintjes in worden gemaakt, niks. En ik heb zo’n weerzin om dat verhaal over te lezen.


SK — Maar je legt het jezelf wel op...

DH — Ik oefen. Het is een oefening. Ik ga op les bij mezelf. En dat verhaal zal ik wel weggooien, ik moet het gewoon eens een keer uitdraaien en rustig lezen en dan denk ik niet eens dat ik daar iets aan overhoud.
Het verhaal wat ik net voorlas, ‘De attractie’, heb ik altijd in mijn hoofd gehad, want er kwam hier iemand op bezoek en die was opeens verliefd op een vriendin van mij. Zij helemaal door het dolle heen en ze verdwijnen naar het bos en daarna is het over. Toen zei hij, het is zo raar, je verheugt je erop, zoals je je verheugt om op de kermis te gaan en dan kom je op de kermis en is het ontzettend lawaaierig en je kijkt naar de boel en je ziet dat het heel slecht is overgeschilderd en allemaal zo lelijk. Toen dacht ik: dat is een mooi gegeven. Dat heb ik altijd bewaard en dat is het begin geweest.
Ik ben nog met een ander verhaal bezig, over een vroegere buurman. Omdat ik hier in Hilversum al zo lang woon heb ik overzicht. Al die villa’s (wijst uit het raam) zijn bewoond geweest door mensen die zo’n huis niet konden betalen, maar dachten dat doen we wel gewoon en dan gaat het mis en op het laatst konden ze hun huis helemaal niet eens meer verkopen. De markt zakte in en je kon je villa alleen nog maar kwijt aan de Stichting Anti-Kraak. Dat was heel dramatisch in deze buurt, maar ik moet daar van afwijken, want dan moet dat een lang verhaal worden en dat is me te zwaar.


SK — Wat vind jij ‘lang’? Je hebt bijvoorbeeld in Zuidwester meningen een verhaal van twee bladzijden en nog een van veertig bladzijden...

DH — Maar er hangt er altijd wel de sfeer van een kort verhaal. Het is bijvoorbeeld maar één jaartje, wat ze meemaken. En die gokkastenmevrouw, dat is ook ongeveer één seizoen.


SK — O, je bedoelde ‘kort’ in de zin van tijd?

DH — Ook. Het is allebei. Maar nu moet ik even met ‘de jaren gingen voorbij’ en dat soort zinnen.


SK — Je zei net: ze vinden mij een ‘gekke vrouw’ en je vraagt je verbaasd af of ze zelf nooit om zich heen kijken. Doe jij dat dan wel?

DH — Jajaja. Ik ben geloof ik een voyeur. Ik ga voorlopig niet meer de hei op, want die is eigenlijk niet meer geschikt, hè, alles is al opgegraven, als je eerlijk bent, is alles nu wel in kaart gebracht. Ik heb een kast vol met artefacten die niet goed genoeg zijn voor de archeoloog –


SK — Zelf gevonden?

DH — Ja, ik zal ze zo laten zien. Maar nu moet ik er niet meer lopen en de vriend waarmee ik altijd liep, die is nu oud en we hadden toch al een meningsverschil over perioden – niet dat ik gezegd heb ‘nu ga ik niet meer met je het veld in’, maar ik ben gewoon afgehaakt. Want veel archeologen willen het ouder maken dan het is!


SK — Waarom zit hier in de buurt zoveel ouds? Archeologisch gesproken, dan.

DH — (lacht) In het Gooi ligt een eindmorene, een uitloper van een gletsjer met daarin veel oud materiaal. En grafheuvels uit die tijd liggen er ook nog. Mooi materiaal om te vinden dus. Maar ook geologisch liggen er mooie stenen. Bijvoorbeeld versteend hout uit de eindmorene. Je gelooft het niet maar het is zo.


SK — Ben je zelf professioneel archeologe?

DH — Nee, ik ben niks.
Dus ik loop nog wel, maar dan door Hilversum en dat vind ik óók heerlijk, want ik ben dus een voyeur, ik ga dan op een terras zitten waar niemand je verwacht, waar ze helemaal niet kijken van, wie zit daar ofzo, en dan zie je álles langskomen – van de middelbare school, van de lagere school – maar ook uit het feministentijdperk natuurlijk, uit het café, als ze dan niet dood zijn... Vaak spreken we elkaar en dan zijn ze opeens weer dood, of ze zeggen díé is dood en díé is dood en díé is dood... Dat vind ik zo erg, want het was een prachtige tijd... prachtige tijd...


SK — Welk café is dat?

DH — Het heet nu De Kerk, hier om de hoek, daar waar ik altijd zat te gokken, hè. Dat is een heerlijke tijd voor mij geweest, ik was vijftig en ouder, mijn vriendinnen waren ook allemaal van die leeftijd en er heerste een hele feministische sfeer. Ik ben ook heel erg dankbaar voor die tijd, ook dat de barkeeper zulke mensen als wij tolereerden. Ik had een vriendin, die was vijfenzestig en die zocht nog een man. En ik dacht, jeeee, dan ben je vijfenzestig – wie zoekt er dan nog een man, hé? En wat het allemaal te weeg heeft gebracht! En wie ze kreeg! Ik vond het fantastisch. Zo gek allemaal.


SK — In het Engels heb je een uitdrukking: ‘Truth is stranger than fiction’.

DH — Ja! Ik kan de waarheid niet eens gebruiken. Ik moet hem altijd iets gewoner maken. De waarheid is ook vaak liefdeloos. Net wat je níét moet hebben, het gewone leven. Ik heb iemand gekend, die wilde kinderen krijgen, en zij maar proberen en zij maar proberen. Eindelijk was ze zwanger maar het was kanker en daarna was ze dood. Daar moet je geen verhaal van maken. Zulke dingen. Dat vind ik zo vreselijk. En vaak de waarheid – het gewone leven heeft geen smaak. Behalve soms opeens wel.


SK — Als ik jouw proza lees dan is het duidelijk dat je ook poëzie schrijft. Ik zie het aan je taalgebruik, een soort houding van: taal? daar doe ik mee wat ik wil.

DH — Toch! Ach da’s leuk. Maar dat poëtische... daar wil ik ook een beetje van af.


SK — In de tweede bundel is het inderdaad wat minder. Dat was dus een bewuste keus?

DH — Ja, ik wilde er van af. Maar ik maak nu stiekem weer gedichten. Een jaar geleden maakte ik nog, voordat ik zo’n verhaal maakte, eerst een gedicht. Omdat ik zo afdwaal, hè. Dus eerst was er het gedicht en dacht ik, ja, dit is het gegeven en daar hou ik me aan. Maar die gedichten, dat begon zo uit mekaar te lopen dat ik het gelaten heb.


SK — Dus je maakte eerst een gedicht om je gedachten te ordenen?

DH — Ja.


SK — En vervolgens een verhaal wat met dat gedicht te maken had?

DH — Ja. Want als je een gedicht maakt – dat overkómt je meer. Dan is er dus kennelijk iets wat je inspireert. Kennelijk vind je dit een heel erg mooi gegeven ofzo.


SK — De woorden die je gebruikt: het zou aan mij kunnen liggen, hoor, maar ik kom woorden tegen in jouw verhalen die ik nog nooit gezien of gehoord heb. ‘Sierbrood’, ‘wizzewas’, ‘overdatums’...

DH — Ik denk dat dat komt door mijn leeftijd, omdat ik ouderwetse woorden heb. Niet archaïsch – ik vermijd archaïsch, hoewel dat ook leuk kan zijn, bijvoorbeeld Wouter van Oorschot schrijft ‘archaïsch hip’, dus hip, maar dan archaïscher. Laatst had ik het over ‘weerspannig’. En toen zei iemand, wat een mooi woord! wat een mooi woord! Maar dat gebruik ik gewoon en daar kan ik dus niks aan doen. Het is ook niet zo dat ik heel lang over een woord zit te denken, of in een woordenboek kijk. Ik denk dat ik het in mijn onschuld doe.
Wat ik heel bewust vermijdt is het jargon van psychologen. Ook dat modieuze van sociologen en archeologen. Altijd adviserend, altijd boven je willen staan. Zulke taal is ook altijd duidelijk overgenomen van iemand anders: de minister presidenten moeten altijd zo praten. Dus Van Agt moet speciaal praten om al die mensen af te leiden van het werkelijke gevaar.
Schrijf je zelf eigenlijk ook?


SK — Hoezo?

DH — Nou, dat moet haast wel, anders ga je niet een andere interviewen.


SK — Ik schrijf geen fictie, nee. Ik ben eigenlijk vertaalster. Maar ik krijg die vraag wel vaak te horen. Zou je niet liever zelf iets gaan schrijven? Terwijl het twee heel verschillende vakken zijn.

DH — Ja, vertalers zijn een apart slag. Ik wil jou niet in de boter braden, maar vroeger bij die Revisor-borrels stond ik altijd met vertalers te praten. Paul Beers en Jan Versteegh... óf de secretaressen. Dat vond ik prettige mensen om mee te praten.


SK — We praten wel graag over woorden, woordkeuze.

DH — Ja, woorden. Ik zoek zelf vaak naar de slappere vorm.


SK — Slappere?

DH — Ja. Je hebt ‘verwonderd’, ‘verbaasd’ en ‘paf staan’. Dan doe ik ‘verbaasd’. Ik zoek vaak de zachtere, niet de heftige. Behalve dan als iemand zich opwindt. Ik vind het mooi om... niet de understatement en ook niet de overstatement...


SK — De tussenstatement?

DH — Ja! De tussenstatement. Zodat je niet afgeleid wordt, waardoor je rust en betekenis tegelijk krijgt.


SK — Ik word niet zozeer afgeleid bij het lezen van jouw werk, maar het roept wel dingen in mij op. Misschien omdat jij daar de ruimte voor laat.

DH — Nou, dat zou ik heel prettig vinden, als dat zo is. Want dat hele sterke taalgebruik, ook die hele sterke gedichten, hè, die zo ont-zet-tend wervelend en heftig zijn, dat is echt geen lezen meer. Ze tímmeren dan, en dan denken ze: het woord flitst niet! En dat woord is de blits niet! En dan krijg je iets vermoeiends.


SK — Af en toe staat er in je verhalen een ‘mening’, een soort conclusie. Daarna gaat het verhaal weer verder. In het titelverhaal van Zuidwester meningen staat er bijvoorbeeld: ‘Mensen die aan zee wonen hebben een bollere mening dan mensen in het binnenland’. Of deze: ‘Obsessies hebben een reden’. En: ‘Er is kracht voor nodig om half te leven’. Er zijn er veel meer.

DH — Ik ben een beetje betweterig. Ik ben gek op meningen hebben. Dus af en toe spaar ik zo’n mening en die gebruik ik. Dan denk ik, ja, ‘half leven’, dat is ontzettend vermoeiend. Want je moet in leven blijven maar er zit ook wat afsterven aan en dat is heel vermoeiend, mensen die niet in één keer sterven. Dus dan zeg ik het zo. Kan ik ook eens wat van mezelf kwijt in mijn verhaal.


SK — Je vind het leuk om meningen te hebben.

DH — O ja! Je moet me echt tegenhouden. Ik vind het héérlijk om meningen te hebben. Héérlijk, ja.


SK — Als kind ook al?

DH — Ja.


SK — Over alles?

DH — Ja. Over alles.


SK — Je hebt altijd je mening klaar.

DH — Nou, niet altijd klaar... soms in de politiek denk ik, hoor ik iemand praten en dan denk ik, goh, wat zegt die man dat goed. Dan word ik meegesleept en moet ik daar heel lang over denken. Ik heb ontzettend veel tijd voor mezelf nodig en dan ga ik op mijn bed liggen en moet ik alles maar herkauwen, daarom is mijn geheugen ook zo goed. Ik moet álles herkauwen, alles van o dat zit dus zus, o dat zit dus zo. Het is niet altijd handig, hoor, want een baan maakt mij doodmoe. Omdat ik zo denkerig ben, dromerig. Ik moet alles op een rij zien te krijgen.


SK — Je bent eigenlijk een filosofe.

DH — Dat... Ik... Dank je.


SK — Alstublieft (beiden lachen).

DH — Want filosofen ontmantelen. Dat vind ik prachtig. Als ik nog eens terug zou mogen komen – dat geloof ik eigenlijk niet – maar dan zou ik wiskundige willen worden, met aanleg voor cijfers.


SK — Lees je toevallig de boeken van Gerrit Krol?

DH — Ja! Fantastisch. Die heeft wel die wiskunde, hè.


SK — In zijn vroegere werken zitten die formules letterlijk door de tekst heen. In zijn vorige roman, Rondo veneziano, zijn de formules verdwenen, maar het zijn toch nog van die wiskundige formuleringen, in taalvorm dan. Krol wil graag dat de dingen ‘kloppen’.
Wat heb jij daar zelf mee, met dat wiskundige?

DH — Ik vind het mooi. Clean. Daar rust je vanuit.
Wil jij trouwens nog koffie? Of zo’n donut?


SK — Nee, dank je, ik hoef niets meer.

DH — Heb je geen last van de zon?


SK — Nee, echt, het is heerlijk zo. Maar ik ben wel erg benieuwd naar je fossielenkast. Misschien kan je me even je vondsten laten zien?

DH — Ja. Dat is goed. (Ze doet de deuren open van de hoge, zware kast achter ons. Op de planken staat een bonte verzameling natuurvoorwerpen. Één voor één worden ze uit de kast getild en uitvoerig beschreven.) Kijk: dit zijn allemaal kwallen die gefossiliseerd zijn. Zie je dat? Een kwal is heel bederfelijk. Je heb wel eens van die rampen, bij een vulkan in de zee, die spuugt iets uit, van gif, de hele boel gaat dood, geen zuurstoffen meer op de bodem en dan fossiliseert dat gewoon. Molecuul voor molecuul wordt dat ingevuld en wordt zo’n kwal vervangen door kwarts en de steen neemt die kleur aan van dat beestje dat is blijven zitten.


SK — Prachtig. Het lijkt alsof iemand het zo ontworpen heeft.

DH — Het ziet er helemaal niet...


SK — ... natuurlijk uit!

DH — Kijk (in haar handpalm ligt iets piepkleins, goudkleurigs, verschrompeld) dit is een appeltje. Een echt appeltje. En hier is een wormenbeet. Dit appeltje heb ik van iemand gekregen met de Kerst – hier is het steeltje – toen heb ik hem verguld en toen merkte ik dat hij zo werd. Daar wil ik dan een gedicht over maken. Kijk, dit is ook een wonder: dat is gebroken steen en dan ingevuld weer door dat kwarts. Dan blijft het heel lang goed.
Ach, ik heb veel en veel meer, die bewaar ik maar... (De deuren gaan weer dicht, de schrijfster neemt weer plaats in haar rieten stoel.)


SK — Is het schrijven voor jou, of het nou poëzie is of verhalen, een manier om de dingen op een rijtje te krijgen?

DH — Ja. Zo langzamerhand wel ja. Daarom moet je ook steeds iets anders doen. Want de behoefte om iets om een rijtje te zetten is net als zo’n prieelvogeltje dat de hele tijd zo’n nestje moet bouwen, dus ook als hij in paniek is moet hij toch aan dat stomme nestje werken. Dus ik moet orde in de chaos scheppen, maar je hebt al lang orde in de chaos geschapen... o, dat wou ik vertellen: dat appeltje, dat vergulde kleine appeltje, ik heb ook gedichten gemaakt over andere heel interessante onderwerpen. Dus de vergankelijkheid, maar ook dat je op de hei loopt en dan doe je even zó met het zand en daar zit dan zo’n steen. Vroeger raakte mij dat enorm, vond ik ontzettend interessant. De geologie ook. Maar dat is nu weg bij mij. Die betovering van de archeologie. Want ik heb het helemaal, door gedichten te schrijven, erover na te denken, praten, in het bestuur zitten... het is over, klaar. Dus dat ordenen heb ik niet goed gedaan. En zo zijn er andere bevliegingen gewest, zoals dat literaire café houden, maar dat eindigde ermee dat ik aan de gokkast zat (lacht).
Als ik mijn boeken nu lees dan denk ik, mijn grootste stokpaarden heb ik al geordend. Dus dat moet ik niet meer doen. Het is tijd voor iets anders.


SK — Is er iets wat de personages in jouw verhalen, tot nu toe, met elkaar verbindt?

DH — Misschien dat het wel allemaal losers zijn en dan zoeken ze oplossingen en dat doen ze ook heel goed.


SK — Maar het uitgangspunt is: niets lukt.

DH — Dat zou best eens kunnen. Ik kijk met argusogen naar de losers.


SK — Losers die het steeds opnieuw proberen.

DH — Ja. En dan hebben ze toch nog een leven.


SK — Mag ik je vragen... waarom gebruik je eigenlijk een pseudoniem?

DH — Omdat ik hier in Hilversum altijd gewoond heb en mijn vader psychiater was. En kinderen van psychiaters... dat weet je niet van jezelf, maar daar wordt zó over geoordeeld... over de man zelf en ook over de kinderen. Als ze vroeger aan me vroegen hoe gaat het met je, zei ik gewoon, het gaat goed, ik vertelde niets over die verhalen. Nu durf ik meer, maar dat was eigenlijk de reden. Ik wilde onzichtbaar blijven. ‘En snap je dat nou, dat een dochter van de psychiater in het café gaat zitten, die was in de overgang, jááááá, Kitty was in de overgang, het was dus een inhaalmanoeuvre, ze mocht vroeger thuis niks’ – zo gaat dat allemaal. Nu ben ik er een beetje van af.
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.