the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview John Haskell

Toen John Haskell en ik elkaar vorig jaar in Amsterdam spraken over zijn fascinerende roman Purgatorio vroeg hij me bepaalde delen uit het interview niet op de website te plaatsen. Het ging om een aantal bijzonderheden die het zouden kunnen verpesten voor degenen die het boek nog niet gelezen hadden. Daar stemde ik uiteraard mee in. Om die reden bestaan er nu twee licht verschillende versies van dit interview, de online (ingekorte) versie en de offline (volledige) versie, die je nu in handen hebt, of op je beeldscherm ziet. Als je toch de volledige versie wil lezen, schrijf ons (info@the-ledge.com) en we mailen het naar je toe.
Veel plezier!

Stacey Knecht

met:
John Haskell
Stacey Knecht

boeken:
Purgatorio
[I Am Not Jackson Pollock]


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Het valt nog niet mee om via Google iets over jou te vinden. Mag ik om te beginnen wat achtergrondgegevens van je weten?

JH — Oké. Nou, ik kom uit Californië, heb in Santa Cruz gestudeerd en las op een bepaald moment - ik vat het nu heel kort samen - een artikel over het Chicago Theater. Het Chicago Theater was waar het gebeurde. Er liepen daar mensen als David Mamet rond en zo. Dus besloot ik mee te liften op een goederentrein…


SK — Er zijn dus écht mensen die dat soort dingen doen?

JH — Tja, ik weet niet of er nog steeds mensen zijn die dat doen… enfin, ik ging naar Chicago, kwam in de toneelwereld terecht, volgde lessen bij David Mamet, leerde allerlei mensen kennen en richtte na verloop van tijd mijn eigen theatergezelschap op. Ik schreef de stukken. Ik acteerde en regisseerde ook wel, maar was toch voornamelijk de schrijver. Dat deden we tijdje. Bij de toneelstukken die ik schreef waren het vooral de monologen die me boeiden. Eén stuk met name begon met een lange monoloog en onderging eindeloos veel veranderingen, maar de monoloog bleef gehandhaafd. Toen begon ik losse monologen te schrijven en die zelf op te voeren. Daarna verhuisde ik naar New York, waar ik er mee doorging, maar ik zocht toch een ander podium voor mijn schrijverij, dus ging ik weer een opleiding volgen, ditmaal op Columbia University, schreef een niet echt geslaagde roman, en kortte die roman uiteindelijk in tot een verhaal. Ik had voldoende andere verhalen liggen - al die monologen werden verhalen - voor een boek. Nadat ik alles naar een literair agent had gestuurd, wist hij het boek te verkopen aan Farrar Straus en vervolgens schreef ik mijn tweede boek, Purgatorio.


SK — Dat is leuk om te weten, van die monologen, want ik zat me net, toen je een stukje voorlas voor de site, onder het luisteren af te vragen of dat stuk ook al eens was opgevoerd op toneel. Dat komt natuurlijk deels door de manier waarop jij het voordraagt, maar het zit hem ook in de taal die je gebruikt. Jack, de verteller, lijkt hardop te denken. Zinnen worden soms niet afgemaakt, of worden hernomen, of worden afgebroken en gaan over in andere zinnen, precies zoals mensen doorgaans praten.

JH — Precies. Dat doe ik met opzet, want als ik iets dergelijks bij een ander lees, bevalt het me altijd erg. En deze hele roman is in zekere zin een monoloog, een hele lange monoloog.


SK — En de hele roman door probeert Jack er achter te komen wat er gaande is. Weliswaar analyseert hij elk wissewasje en keert hij alles binnenstebuiten, maar tegelijkertijd mist hij steeds iets. Op een bepaald moment zegt hij: ‘Ik zie het niet.’ Zijn vrouw, Anne, is verdwenen en hij onderzoekt elke mogelijkheid: ze zou dit kunnen zijn gaan doen, ze zou dat kunnen zijn gaan doen, dus hij gaat op zoek naar Anne, maar probeert er tevens achter te komen wat er met hem zélf gebeurt.

JH — Het is voor hem deels een kwestie van proberen erachter te komen wat er gaande is, maar ook een kwestie van proberen niet te erkénnen wat er gaande is. Als je iets bent kwijtgeraakt, wat dan ook, dan wil je dat niet weten. Hij is daar althans nog niet toe in staat. Hij kan het nog niet geloven. Vandaar die onwil om onder ogen te zien wat er gaande is en om alles door te maken wat we nu eenmaal allemaal af en toe doormaken als we willen begrijpen wat er aan de hand is. Het duurt enige tijd voordat hij zover is.


SK — Hij zegt dat hij de schijn van normaliteit wil handhaven.

JH — Inderdaad. En het is hem ook nog maar net overkomen natuurlijk. Hij gaat op zijn stoel zitten in de hoop dat het zitten in die stoel, de stoel waar hij altijd op zit, hem het gevoel zal geven dat hij er altijd bij heeft. Alleen is dat niet zo. Dus probeert hij wat anders. Hij probeert om… om het gewoon niet te zien. Hetgeen… nou ja, ik wil er niet teveel over dooremmeren, maar ik denk dat het erom gaat dat mensen inderdaad niet… je kent die uitspraak van T.S. Eliot wel: ‘De mens kan niet al te veel werkelijkheid aan.’ Heel vaak zien we niet wat er gaande is omdat het domweg te… nou ja, ik weet niet waarom, omdat we het niet gewend zijn, of omdat het ons teveel zou zijn… Dus Jack reageert ook zo. Zeker nu er een enorme ramp in zijn leven heeft plaatsgevonden.


SK — Jack is steeds onderweg en er zijn natuurlijk in de literatuurgeschiedenis al de nodige boeken geweest over mensen die onderweg zijn. Waarom heb je hem op reis gestuurd?

JH — Dat heeft alles te maken met waar ik het eerder over had, dat ik veel heb gelift. Ik ben zelf veel onderweg geweest. En als je dat hebt gedaan, liften of met een auto rondreizen, of wat dan ook, dan beleef je vanzelfsprekend van alles en nog wat. Er zijn een hoop dingen gebeurd die mijn fantasie prikkelden. Het was heel leuk om die reis van Jack te bedenken, omdat ik kon terugblikken en allerlei levendige herinneringen kon oproepen aan gebeurtenissen waar ik al een tijd niet meer aan had gedacht. Ware gebeurtenissen vormden vaak de aanleiding voor gebeurtenissen in het verhaal.


SK — Toen ik Purgatorio voor het eerst las was het nog in manuscriptvorm. En om de een of andere reden stonden de zeven hoofdstuktitels, die je naar de zeven hoofdzonden hebt vernoemd, er nog niet boven. Pas toen ik het boek kreeg zag ik ze er pas bij staan. Ik vond het fascinerend. Maar waarom de zeven hoofdzonden? Was je niet bang dat mensen zouden zeggen: ‘Poeh, dat is al eerder gedaan…’

JH — Daar wil ik twee dingen op zeggen. Om te beginnen denk ik dat het hele idee van zonde vandaag de dag toch wel behoorlijk uit de tijd is. Misschien niet voor katholieken, maar zelfs voor hen is het denk ik een tamelijk ouderwets begrip. Ik denk echter wel dat er binnen vrijwel elk geloofsstelsel het idee bestaat dat als je dít pad volgt, je het geluk zult vinden, maar dat dát pad je naar het ongeluk zal voeren. Zodat ik denk dat het hele idee van dingen die je kunt doen om gelukkig te worden, en het tegenovergestelde, door de hele menselijke geschiedenis heen loopt. Ik noem het ‘zonden’ en gebruik het ouderwetse begrip zonde, maar in het boek zeg ik zelf al zoiets als: het zijn niet meer dan menselijke eigenschappen of menselijke neigingen, of gedragingen waaruit mensen soms kiezen.


SK — Zoiets als ankers? IJkpunten?

JH — Ja, een soort ijkpunten. Zo heb ik ook feitelijk in het boek gebruikt. Ik heb ze met opzet geen ‘Wellust’ of ‘Hoogmoed’ of ‘Hebzucht’ genoemd, maar de Latijnse benamingen gebruikt, omdat de meeste mensen geen Latijn spreken, waardoor de woorden enigszins geabstraheerd worden en daarmee ook de begrippen. In het hoofdstuk getiteld Superbia kan ik het bijvoorbeeld hebben over ‘hoogmoed’, maar dan is het, zoals ik onlangs nog tegen iemand zei, niet meer dan iets vaags, een zweem van hoogmoed, maar gaat het daar niet echt over. Ik wilde die dingen niet teveel vastpinnen, want daar gaat het boek niet over.


SK — Het zijn dus eerder wegwijzers. Voor de lezer.

JH — Ja, en daar komt het Danteske element om de hoek kijken. De pelgrim in Purgatorio, ‘Het vagevuur’, doorleeft al die zonden - in een andere volgorde, en die volgorde is wel van belang - om het Paradijs en Beatrice te bereiken, en wat dies meer zij.


SK — Is de volgorde van belang? Dat wist ik niet.

JH — Ja, daar lijkt het wel op. Want dat hele gedoe met die hoofdzonden kwam voort uit… Nadat ik aan het boek was begonnen las ik een essay van de Poolse dichter Czeslaw Milosz. Dat stond in een essaybundel en ging over hoe hij als katholiek jongetje opgroeide en een ezelsbruggetje had geleerd om de zeven hoofdzonden te onthouden. Dante wijzigde de volgorde. Ik meen dat Milosz opmerkte dat hij de volgorde hier en daar had veranderd. Die van mij is weer anders. Die van mij kwam gewoon zo uit vanwege het verhaal.


SK — Ben je katholiek?

JH — Nee! Absoluut niet.


SK — Waar ik toen ik dit boek voor de eerste keer las van onder de indruk was - en ik ben benieuwd hoe je dat hebt weten te bereiken - was niet alleen het voortdurend aanwezige gevoel van verlies, maar het nog sterkere gevoel van volkomen vervreemding. Dat is onthutsend. Ook wanneer je verder bent in het boek en Jack wel mensen ontmoet, en met mensen optrekt, blijft altijd dat gevoel hangen dat iedereen in zijn eigen luchtbel zit, dat ze nooit echt samen zijn. Het meest onthutsende er aan is dat het soms zo herkenbaar is! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?

JH — De twee anderen aan wie ik hier in Nederland een interview heb gegeven, heb ik allebei een vraag gesteld, waarop ze allebei een ander antwoord gaven, en ik denk dat ik wel kan raden wat jouw antwoord zal zijn. Ik vroeg ze namelijk wat er volgens hen aan het eind van het boek gebeurt. Wat denk jíj dat er met Jack gebeurt?


SK — Aan het eind? Moet ik dit op de website zetten?

JH — Nee, je moet het niet op de site zetten. Ik zal zo je eerdere vraag beantwoorden, maar ik wil eerst weten wat jíj dacht.


SK — Tegen het einde van het boek geloofde ik niks meer. Ik was ontzettend sceptisch geworden, omdat ik onderweg al zoveel verschillende conclusies had bereikt, die geen van allen bleken te kloppen. Of anders uitpakten dan ik had gedacht.

JH — Zoals? Dat de vrouw dood was? Geloofde je dat?


SK — Ja, ja, dat geloofde ik ook. Een poosje. En toen dacht ik: ho eens even… Ik bleef terugbladeren naar het begin omdat ik dacht dat ik waarschijnlijk iets gemist had…

JH — Nee, dat denk ik niet, dat denk ik niet…


SK — Nee? Oké. Nou, Jack beweert dat ze ... — . Dus nam ik aan dat ze
... — , maar toen was ik daar niet meer zo zeker van. Ik moet eerlijk zeggen dat ik… eh… dat ik…

JH — Dat is een mooi antwoord.


SK — (lacht)

JH — Het is een prachtig antwoord. Maar ik zal je iets vertellen. Wat trouwens ook niet op de website moet, omdat er anders teveel wordt verklapt. Op een zeker moment zegt de verteller: ‘Ik was weer bij het tankstation en Anne was in de auto en toen kwam er een donkere auto aan en
... — .’ En dan krijg je van alles over hoe mijn leven aan mijn geestesoog voorbij trekt. Voor de Britse uitgave wilden ze dat er allemaal uit hebben. Ze hadden het gevoel dat als de verteller zei ... — , dat het hele verhaal zou ondermijnen.


SK — Nou en? Het is toch fictie?

JH — Ja, maar zij dachten dat de lezers dan zouden denken dat al die mensen die hij onderweg ontmoet had, en het hele verhaal daaromheen, dan onecht zouden worden. Zo van: waar is dat dan allemaal gebeurd?


SK — Alsof ze voor het lapje waren gehouden.

JH — Precies. En daarom heb ik één klein regeltje veranderd. In plaats van: ‘
... — ’ schreef ik: ‘... — ’ Met andere woorden, hij weet niet precies wat er is gebeurd, maar denkt dat hij dood moet zijn. Maar weten doet hij het niet. Dat bevalt mij bij nader inzien ook beter. Maar goed… naar mijn idee was hij dus
... — . Aan het begin van het boek heb je een passage waarin hij op een brug staat en er een man naar hem staat te kijken, .
.. — . Dat is deel van het ‘niet willen weten’, of eigenlijk deel van het ‘vastklampen aan’…
... — Het slothoofdstuk, ‘Avaritia’, gaat niet over heb zucht, maar over zich vastklampen aan het leven. Dus, om op je vraag terug te komen: ik vermoed dat een deel van dat gevoel van vervreemding, hoewel ik daar niet bewust op uit was, misschien voortkomt uit het feit dat ik het idee in mijn achterhoofd had dat hij… dat hij ietwat anders was dan alle anderen in het boek. Dat heb je mogelijk aangevoeld.

SK — Maar wist je onder het schrijven dan waaróm hij anders was?


JH — Dat wist ik wel, maar dat deed er niet toe. ... — Afgezien van die passage op de brug was er nergens een plek dat ik dacht: goed,
... — , dus hij zal zich nu wel anders gedragen. Nee, hij was steeds heel erg ... — , heel
... — , heel ... — . Maar
... — . Hijzelf geloofde nog niet dat hij dood was, dus was hij het in zekere zin ook niet. En pas toen hij het uiteindelijk min of meer aanvaard had, kon hij ertoe overgaan. Ook dat is een vagevuuraspect van het verhaal.

SK — Ik weet nog dat ik op zeker moment dacht: misschien ís dit wel het vagevuur en zijn alle mensen die hij tegenkomt gewoon
... — .

JH — Sommige mensen hebben het boek hierom in verband gebracht met de film
... — , maar die is anders omdat je daarbij na afloop terug kunt denken en kunt zeggen: ‘Ah, nu snap ik het!’ Dat is een soort kunstje. Maar over mijn boek zou ik zeggen dat het niet uitmaakt of mensen weten ... — , en sommige mensen weten het ook helemaal niet, enfin, ik vermoed dat de meeste mensen denken dat hij… nee, veel mensen denken gewoon dat hij zich
... — omdat hij zo is aangegrepen door het verlies van zijn vrouw. Waarmee vanzelf een zekere afstand ontstaat tussen de verteller en de omgeving waarin hij zich beweegt. Maar ik moet zeggen dat ik hem tijdens het schrijven van het boek absoluut als ... — beschouwde.


SK — Ken je The Vanishing van Tim Krabbé?

JH — Iemand had het daar gisteren ook al over. Een paar mensen in Amerika hebben tegen me gezegd dat ik beslist de film moet gaan zien. En hier zeggen ze dat ik beslist het boek moet lezen. Maar gaat dat niet meer over een psychopathische moordenaar?


SK — Jawel, maar er is een duidelijke gelijkenis tussen beide boeken in de zin dat een jong stel stopt bij een tankstation, de vrouw koffie gaat halen en vervolgens niet meer komt opdagen. Wat ook vergelijkbaar is, is het zoeken, het gevoel van shock, en de poging ondanks je angst iets te ondernemen.

JH — Interessant. Ik heb De renner van Krabbé gelezen. Ik wist niet dat hij een Nederlander was.


SK — Ja.

JH — Goh.


SK — Je hebt me wat verteld over je verleden in de toneelwereld. Wanneer je fictie schrijft, zijn er dan, naast je voorliefde voor de monoloog, nog andere manieren waarop je ‘toneelmatig’ denkt of te werk gaat?

JH — Ik denk het wel. Een toneelschrijver, ik ben vergeten wie precies, heeft ooit gezegd dat hij, wanneer voor het toneel schrijft, denkt aan mensen die op houten banken naar zijn stuk zitten te kijken. Als je daarvan uitgaat, kun je niet te veel aan je eigen wensen denken! Je wilt dat mensen zich blijven richten op wat er op het toneel gebeurt en niet zitten te denken over hun billen op die harde banken.
Ik heb eens een echtpaar ontmoet dat over mijn eerste boek, de verhalenbundel, zei: ‘U moet heel lang aan dat boek gewerkt hebben!’ En dat was ook zo, want ik was al jaren daarvoor aan die monologen begonnen, dus was ik er al jaren mee bezig. Sommige van die verhalen waren volledig bijgeschaafd, zodat ze als het ware, nou ja, ik wil niet zeggen ‘kristalhelder’ waren, maar je begrijpt dat wanneer je iets voor publiek uitvoert, je geleidelijk aan de overbodige details eruit gooit, omdat er nu eenmaal mensen zitten te kijken. Ik sleep het publiek graag mee. Als mensen het gevoel hebben dat ze geen deel hebben aan de dialoog, dan vallen ze in slaap. Ik probeer op de een of andere manier de aandacht van het publiek, ik bedoel van de lézers, vast te houden.


SK — Je zou wensen dat alle schrijvers dat probeerden…

JH — Ja, dat zou je inderdaad wensen. Maar het is iets om over na te denken. En het andere toneelmatige element is het idee van… enfin, ik lees vaak hardop aan mezelf voor wanneer ik iets aan het schrijven ben. Het is altijd leuk om dat eerste hoofdstuk voor te lezen, vanwege de stiltes, en het ritme dat erin zit, en er zijn veel herhalingen.


SK — Heb je het geschreven om het jezelf hardop te kunnen voorlezen?

JH — Nou nee, niet alleen maar om het aan mezelf te kunnen voorlezen, maar ik houd altijd wel rekening met hoe het hardop zal klinken. Ik denk meer aan hoe klinkt dan hoe het leest. Ik lees ook vaak voor mijn plezier hardop, bijvoorbeeld iets van Shakespeare of Pinter, omdat ik het prettig vind om de woorden uit te spreken.


SK — Ik lees graag toneelstukken, hardop of niet, maar hier in Nederland lijkt niet echt een traditie van het lezen van toneelstukken te bestaan. Toen ik als kind in New York woonde, haalden we toneelstukken uit de bibliotheek en lazen die hardop voor, soms met het hele gezin!

JH — En nam iedereen dan een eigen rol? Lijkt me hartstikke leuk!


SK — Dat was het ook. Ik kan het van harte aanbevelen.
Heb je je deze roman onder het schrijven, of misschien zelfs nu, ooit als theaterproductie voorgesteld?

JH — Nee, helemaal niet. Ik zie alles in zijn bijbehorende omgeving: de personages bevinden zich in de heuvels van Colorado, of zijn op dat moment in een garage, of wat dan ook. Maar geen toneeldecor. Helemaal niet. Het is een verhaal. Als het al ergens bij in de buurt komt is het bij een filmsetting. Het speelt zich af ‘in de woestijn’, ‘op het strand’, ‘thuis’, waar dan ook, daar speelt het zich af.
In het boek waaraan ik nu bezig ben wil ik graag wat nieuwe dingen uitproberen met het perspectief, met gezichtspunten. In Purgatorio heb je eigenlijk maar één personage, dat zich door tijd en ruimte beweegt en onderweg andere mensen tegenkomt, van wie sommigen min of meer zijn uitgewerkt. Maar het zou interessant zijn om een wat vollere bezetting te hebben, zogezegd, met mensen die regelmatig terugkeren, zodat je een groep leert kennen, of zelfs maar twee, drie of vier personages. In Purgatorio ben ik erg gehecht aan het personage Polino. Dat kwam goed uit de verf en leek zijn eigen persoonlijkheid te bezitten. Ik zou wel wat meer in die trant willen doen.


SK — Het boek over Jackson Pollock en de monologen: ik neem aan dat die ook allemaal vanuit één persoon zijn geschreven?

JH — Nee, die waren allemaal een tikkeltje anders. Ze waren allemaal in de derde persoon, dus er was geen eerste persoon.

SK — Hè? Hoe kun je nou een monoloog in de derde persoon houden?

JH — Wel, aan het begin van het titelverhaal 'Ik ben niet Jackson Pollock' zegt de verteller bijvoorbeeld wanneer hij de Cedar Tavern binnenkomt en daar een meisje zit tegen haar: ‘Ik moet erbij vertellen dat ik niet Jackson Pollock, de beroemde kunstenaar, ben. Waarna hij het over Jackson Pollock gaat hebben. Dus het is ergens in de eerste persoon, hoewel het in de derde persoon is gesteld. En in andere verhalen doe ik het weer anders. Het tweede verhaal gaat bijvoorbeeld over Topsy de olifant die in de twintigste eeuw op Coney Island is geëlektrocuteerd, en de Hottentot Venus en verder het verhaal van Ganesj, de hindoegod met de olifantenkop. Het gaat over hoe de Hottentot Venus uit Zuid-Afrika werd gehaald en in een museum terechtkwam, in een glazen pot, waarna mijn eigen verhaal volgt over hoe Ganesj zijn kop kwijtraakte, en tenslotte wordt verteld hoe Topsy is gestorven. Allemaal afzonderlijke verhalen die zijn samengebracht om één verhaal te vormen. Er staat er ook een in over Jeanne d’Arc waarin The Exorcist, Jean-Luc Godard en Hedy Lamarr voorkomen… gewoon van alles en nog wat samengebracht.
Maar er bestaat geen wisselwerking tussen de figuren uit het ene verhaal en die uit het andere. Het is niet zoals in een roman, waarin de personages een ontwikkeling doormaken. In Purgatorio wordt het verhaal nagenoeg vanuit één enkel perspectief verteld, en wat één persoon kan overzien is beperkt, tenzij hij de Dalai Lama is of zo. Terwijl ik, als ik van bovenaf keek, jou zou kunnen zien, met je hele verleden en alles erop en eraan, dus het is best lastig eigenlijk, die hele eerste persoon en dat gezichtspunt van de alwetende verteller. Die verdragen zich eigenlijk niet. Ik zou het in mijn volgende boek overigens best eens willen uitproberen.


SK — Jack is de enige verteller in Purgatorio en hij legt zijn reis min of meer alleen af. Al heb je natuurlijk wel Anne, althans de herinnering aan Anne. Vertel eens wat over haar.

JH — Tja, daar zitten misschien wel wat persoonlijke ervaringen achter, maar daar wil ik niet echt… Ik had eerst een gebeurtenis in mijn hoofd, iets als een ongeluk of zo, en vervolgens het verlies. Wat Anne zelf betreft… alles wat ze aan persoonlijkheid of eigenschappen bezit, is voortgekomen uit wat er tussen hen beiden, Jack en haar, is gebeurd, en uit zijn herinneringen aan haar. En daar ben ik ook blij om, want anders was ze misschien niet meer dan een geest geweest, of niet meer dan een hersenspinsel van hem. Maar na verloop van tijd denkt hij ook aan periodes waarin het minder leuk was, want het was niet altijd rozengeur en maneschijn tussen hen. Naarmate de herinneringen doorgaan, wordt Anne een wat completere figuur. Ik weet niet of ik ergens… hier heb ik het nooit zo graag over… haar fysieke voorkomen is niet zo duidelijk als die van de andere mensen in het boek. Zoals Alex, of dat andere meisje, of Jeff, die Brit, of Feather en Fletcher. Van hen weet ik allemaal hoe ze eruit zien. Maar met Anne ben ik daar niet zo zeker van.
Ik denk wel eens… mijn agent doet ook in filmrechten, dus denk ik wel eens dat het te gek zou zijn als ze er een film van maakten. Totdat ik me realiseerde dat het heel moeilijk zou zijn, omdat dat soort films meestal buddy pictures zijn, zodat er dan twéé mannen samen op zoek zouden gaan naar Anne, en dan kan de verhouding tussen die twee worden uitgewerkt. Die twee mannen zouden zich dan ontwikkelen en bevriend raken, terwijl ze hun doel nastreefden. Of zelfs een man met zijn hond, of een vrouw met haar hond, dat zou het verhaal kunnen vormen, de interactie tussen die twee, onderweg naar het doel. In mijn boek gaat het maar over één man, die rondtrekt. Al dacht ik daarna ook wel dat er wie weet in Hollywood of elders wel een creatieveling rondloopt die er iets in ziet, want in op een bepaalde manier beschouw ik Anne als zijn voortdurende metgezel. Hij is naar haar op zoek, maar tegelijkertijd zit hij de hele tijd naast haar in de auto. Zodat het misschien toch wel een soort buddy story is.

vertaling: Niek Miedema
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.