| the ledge files the ledge - nl - uk |
nieuw zoeken |
gesprekken boeken |
|
| Interview Olaf Olafsson Ik had moeder beloofd zo snel mogelijk weer naar huis te zullen vliegen. Ze had er veel moeite mee. Het was de eerste keer dat ik me realiseerde dat ze oud werd. Ik zag op tegen de thuisreis. - i]Absolution, Olaf Olafsson, 1991 met: Olaf Olafsson Stacey Knecht boeken: De nacht in
|
SK — Vertel eens wat over IJsland. OO — IJsland. Tja, het is de afgelopen jaren wat bekender geworden dan het was. Het was eeuwenlang erg geïsoleerd, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog, met de Britse bezetting, werd het min of meer van de ene dag op de andere de twintigste eeuw, de moderne tijd, in gesleurd. Ik ben er opgeroeid en heb er lang gewoond, en het ligt me na aan het hart. Ik heb er een huis en kom er een keer of vier per jaar. Dat is altijd weer heerlijk. IJsland is de laatste tijd nogal ‘in’ geraakt, met name onder beroemdheden, omdat ze er door niemand worden lastiggevallen. Het is een prachtig land. SK — Het is thuis voor je. OO — Het is thuis. Waar mijn wortels liggen. SK — Iemand heeft ooit tegen me gezegd dat iedereen IJsland altijd verlaat. Dat iedereen die er geboren wordt het op den duur verlaat. OO — Ik denk niet dat dat klopt. Ik ben een uitzondering: iemand die in het buitenland is gaan studeren en niet is teruggegaan. De meesten doen dat echter wel. SK — Je was nog heel jong. OO — Ik was negentien toen ik wegging en was beslist van plan terug te keren. Het was ook nooit mijn bedoeling naar de VS te gaan. Ik had helemaal niets uitgestippeld. Er werd me een beursplaats aangeboden aan een goede universiteit en ik besloot die aan te nemen. En ik dacht dat ik na mijn studie terug zou gaan. SK — Wanneer besefte je dat je zou blijven? OO — Ik geloof dat ik het nog steeds niet echt besef. Na mijn studie kreeg ik een baan aangeboden. En ik dacht: dat doe ik een paar jaar om te kijken hoe het bevalt. Een jaar werd twee jaar, enz. SK — Je hebt tot op heden drie romans geschreven: Absolution, The Journey Home en Walking Into the Night. Gek genoeg zou de titel van je tweede roman op alle drie kunnen slaan. OO — Dat heb ik waarschijnlijk niet bewust gedaan, maar je hebt gelijk. De drie boeken (men heeft me daar al eerder op gewezen) vertonen een onderlinge gelijkenis in de zin dat de personages niet perse in het land wonen waarin ze geboren zijn, wat meestal IJsland is. En er zit altijd iets van heen-en-weer in hun bestaan. Zelf woon ik nu twintig jaar in de VS, waarvan vijftien in New York, en daarvoor zat ik in Boston en San Francisco, dus ik weet ook hoe het is om op verschillende plaatsen te wonen. SK — Je personages verlaten niet alleen hun geboorteland en reizen niet alleen heen en weer, maar hebben allemaal een verleden dat ze proberen achter zich te laten en waar ze mee in het reine moeten komen. Een geheim, of een gebeurtenis die littekens bij ze heeft achtergelaten. Christian, de hoofdpersoon van je jongste roman Walking Into the Night, laat vrouw en kinderen achter in IJsland (hij vertrekt in wezen met de noorderzon) en begint een nieuw leven in Amerika, als butler op het landgoed van William Randolph Hearst in San Simeon. Hij zegt op een gegeven moment: ‘Ik zal hier altijd een vreemde blijven, dus is er ook weinig om me eraan te herinneren wat ik mis, en daardoor kan ik mijn gedachten beter ordenen. Al kan ik er nog steeds door overvallen worden.’ Waarom gaat hij weg? OO — Dat heeft uiterlijke en innerlijke redenen. De uiterlijke redenen zijn betrekkelijk duidelijk: hij wordt verliefd op een vrouw en de gevolgen daarvan zijn zodanig dat hij zijn gezin verlaat. Zoals ik het zie (maar elke lezer mag natuurlijk zijn of haar eigen beweegredenen invullen), zoals ik het zie vertrekt hij niet met het idee dat hij nooit meer terug zal komen. SK — Dat komt me vaag bekend voor… OO — Inderdaad. (lacht) Maar zodra hij alles op een rijtje heeft, is het te laat, althans heeft hij het gevoel dat het te laat is, om nog terug te kunnen keren en degenen die hij heeft achtergelaten onder ogen te komen. Maar je hebt ook nog zoiets als innerlijke beweegredenen om te vertrekken en ik dat heeft me denk ik aangezet tot het schrijven van dit boek, want ik wilde proberen te begrijpen wat is in iemand karakter dat hem kan aanzetten tot zo’n drastisch besluit. Dit is overigens het enige boek dat ik heb geschreven dat is geïnspireerd op het leven van een bestaande persoon. SK — Twee bestaande personen. OO — Ja, twee bestaande personen. Het levensverhaal van deze man is mij tijdens een diner in New York verteld door zijn kleinzoon, een bevriende arts. Hij zei dat hij me een keer het verhaal van zijn grootvader zou vertellen, waarop ik zei: ‘Waarom niet nu meteen? Ik bestel nog wel een flesje wijn.’ Toen hij me dat verhaal vertelde greep het me direct en ik wist binnen een paar dagen dat ik het zou gaan gebruiken. Zoals je weet zijn schrijvers inpikkers. Wij zijn altijd aan het kijken of we iets kunnen gebruiken, en zo ja hoe. Wat dat betreft zijn we verschrikkelijk. Ik wilde me verdiepen in het innerlijk mechanisme: wat brengt een mens ertoe alles te verlaten wat hem vertrouwd is? SK — En? Ben je er achter gekomen? OO — Tja, uiteindelijk heb ik een boek geschreven en lijkt het personage in mijn boek waarschijnlijk in de verste verte niet op de man op wiens levensverhaal het is gebaseerd. Toen ik in zijn brieven en dagboeken, waartoe zijn familie me toegang had gegeven, ging lezen trof ik daar niets aan dat de zaak ook maar enigszins verhelderde. Waardoor ik nog meer geïntrigeerd raakte. Zodat een van mijn voornaamste taken als schrijver vermoedelijk was om als wegbereider te dienen, om het aannemelijk te maken dat hij zoiets kon hebben gedaan. Maar er is iets, noem het een ‘breuklijn’, dat als je iets precies daar raakt, dat het dan breekt. Onbedoeld. Zoals gezegd had ik het helemaal niet zo gepland, maar Christian wordt op die manier geraakt en dan gebeurt het. Hij breekt. SK — Wat raakte hem? OO — Wat hem raakte? In mijn ogen was hij altijd een buitenstaander. Hij was iemand die altijd een stap afstond van intieme menselijke contacten. Je ziet dat met zijn vrouw. Ook al schrijft hij haar vanuit San Simeon, hij stuurt die brieven vervolgens niet op. Je ziet het in zijn contacten met de meeste mensen. Hij blijft altijd wat afstandelijk. Je ziet ook dat hij worstelt met een gevoel van minderwaardigheid, een neiging tot onderdanigheid. Zelfs wanneer hij een bedrijf leidt, vindt hij het niet prettig om opdrachten te geven of mensen te vertellen wat ze moeten doen. Hij denkt dat hij niet voldoet aan de verwachtingen die zijn vrouw van hem heeft, ook al heeft zij die, zoals in het boek blijkt, helemaal niet. Het zit allemaal in zijn hoofd. Dus dat is hoe het komt, dat zijn de omstandigheden die er voor zorgen dat hij breekt. Het wordt hem teveel. Wat me ook boeide toen ik het verhaal van mijn vriend hoorde, was het volgende. Wij zijn allemaal gewoontedieren. We getroosten ons alle mogelijk moeite om een wereld om ons heen te scheppen die vertrouwd voelt, een wereld die we kunnen beheersen, al is het maar de plek waar we elke morgen heen gaan om een kop koffie te drinken, want die routine in onze levens maakt dat we ons op ons gemak voelen. En je gezin is een deel van die routine. Je weet je omringd door de mensen en dingen die je het gevoel geven dat je niet maar doelloos ronddoolt in de ruimte. SK — ’De dingen die ons tegen onszelf beschermen,’ zegt Christian. OO — Ja. Maar tegelijkertijd hebben mensen de fundamentele behoefte om vrij te zijn. En vaak botst de behoefte aan geborgenheid, vaste routines en stabiliteit met die aan vrijheid. Bij Christian gebeurt dat dus op een behoorlijk ingrijpende wijze. SK — De andere werkelijk bestaande persoon die in je roman is terechtgekomen is William Randolph Hearst, de Amerikaanse persmagnaat. Ik ben jaren geleden, als kind, ook eens naar San Simeon geweest. Geweldig. Wat ik me vooral herinner is het zwembad. De gids zei dat alle gasten een gratis badpak en tandenborstel kregen, wat op mij als tienjarig meisje diepe indruk maakte. Zou je de figuur van Hearst ook hebben gebruikt als hij geen IJslandse butler had gehad? OO — Jazeker. Die butler kwam gewoon toevallig uit IJsland. (lacht) Volgens mij is geen enkel thema in Walking Into the Night puur IJslands. Ik geloof dat ze universeel zijn. Dus ja, ik zou zou Hearst anders ook in het verhaal hebben verwerkt. Waarom Hearst? Zoals veel mensen heb ik de film Citizen Kane gezien en hoewel die film vermoedelijk meer over Orson Welles gaat dan over William Randolph Hearst, heeft hij wel mijn nieuwsgierigheid naar Hearst gewekt. En op een dag in de jaren tachtig, toen ik in San Francisco woonde, reed ik langs de kust en stuitte op het kasteel in San Simeon, zoals je weet een ongelooflijk oord, in een schitterende omgeving. Het is zowel smaakvol als grotesk, dat is wat het zo interessant maakt, en zo aantrekkelijk. Het heeft een enorme allure, maar het neigt naar het monstrueuze. Het hangt vol met topkunst, maar ook met kitsch. En dat alles was de schepping van een man met een Godscomplex. Hij verschijnt daar en laat zijn eigen stad bouwen, zijn compound, op de heuvel. Hij bouwt een monument voor zichzelf. Hij vult het met alles wat hij maar nodig acht om zich er prettig te voelen. Dat kan een dierentuin zijn, zodat hij op ieder moment dat hij daar zin in heeft de dieren kan bekijken die hij leuk vindt, of het kunnen bepaalde mensen zijn die hem op dat moment interesseren. Op zaterdagavonden laat hij enorme feesten en partijen aanrichten waarop hij pontificaal zijn opwachting maakt, om vervolgens te verdwijnen, waarna de gasten kunnen doen waar ze zin in hebben. Helemaal geënsceneerd. Ik vond het fascinerend en heb aardig wat gelezen over Hearst, alles wat ik te pakken kon krijgen, met inbegrip van de archieven op San Simeon. Toen die bevriende arts in New York me vertelde over zijn grootvader, vertelde hij ook dat hij als butler had gediend bij rijke lui aan de oostkust, waaronder Hearst. SK — Aan de oostkust? OO — Ja. Zijn grootvader had gewerkt voor de vrouw van Hearst, degene die hem heeft verlaten. Maar ik besloot mijn verhaal naar de westkust te verplaatsen en mijn hoofdpersoon, Christian, in San Simeon te situeren, wat het perfecte decor was voor iemand in zijn situatie. SK — Hoezo? OO — Hoezo? Omdat het, als je je wilt verschuilen of je uit de wereld wilt terugtrekken, een uitstekende plek is om te verdwijnen. Je verdwijnt in een andere wereld. San Simeon is zowel een geestestoestand als een locatie die fysiek zo anders is dan de wereld waar hij vandaan is gekomen, dat het de ideale schuilplaats vormt. SK — Echt? OO — Nou ja, voor hem dan, tijdelijk. Maar wat er met Christian gebeurt, zoals met de meesten van ons, is dat we allemaal in staat zijn onszelf voor de gek te houden, althans een poosje. Er lijkt echter toch een houdbaarheidsdatum aan te zitten. Op den duur kan zelfs die bunker, die schuilplaats, zijn herinneringen niet buiten de deur houden. Enfin, zo kwam Hearst zo’n beetje in het verhaal terecht. Alles wat er in het boek staat over San Simeon strookt uiteraard volledig met de feiten, maar Hearst zelf, het personage, is een bedenksel van mij. Ik had het gevoel dat het leven dat hij leidde de perfecte achtergrond vormde voor Christian. |
SK — Een parallel. OO — Precies, een parallel. En de interactie, de wisselwerking tussen die twee zou mij helpen het verhaal erin te vlechten. SK — Waar bestaat die parallel uit? Wat zijn de overeenkomsten? OO — Beide mannen zijn heel kwetsbaar. Aan de ene kant heb je Hearst, een schatrijke man die een groot deel van de media beheerst, een van de rijkste en invloedrijkste mensen in Amerika, die niettemin met zijn eigen demonen moet vechten en beslist niet alles onder controle heeft. Hij doet wat hij kan om zijn ideale wereld om zich heen te creëren daar op die heuvel, en om de natuur te bedwingen. Maar dat kan natuurlijk niet. Het kan niet duren. Christian is met hetzelfde bezig. Niet op dezelfde materiële manier als Hearst, maar in de geest. Hij probeert een plek te scheppen waar hij kan overleven, zonder te worden bedolven onder de last van het verleden. SK — Waarom tekent Christian vogels? OO — Vogels komen altijd van pas! Althans in dit boek. (lacht) Ze kunnen voor zoveel verschillende dingen staan. Op het meest eenvoudige niveau kunnen ze iets wat wij niet kunnen, namelijk wegvliegen. Ze hebben, in tegenstelling tot ons, geen last van de zwaartekracht, en bovendien trekken ze, reizen ze heen en weer. En ze hebben verschillende persoonlijkheden, verschillende karaktertrekken. Christian tekent vogels omdat hij van tekenen houdt. Het is zijn hobby. Maar je kunt ook zeggen, wat hij zelf ook doet, dat hij probeert om in zijn tekeningen hun karakters te laten doorschemeren, om ze via hun uiterlijk beter te doorgronden. Tegelijkertijd probeert hij zichzelf beter te doorgronden. Hetzelfde geldt voor zijn brieven. Ook die zijn een manier voor hem om te proberen dingen te begrijpen, zoals we dat zo nu en dan in ons leven proberen, door terug te kijken en te bedenken waarom het zus is gelopen en niet zo. SK — Het IJslands is je moedertaal, maar je woont al ruim twintig jaar in de VS. Soms schrijf je in het IJslands, soms rechtstreeks in het Engels, en soms stukjes in allebei. Hoe werkt dat? OO — Het heeft wel iets gespletens. Mijn eerste boek, Absolution, schreef ik in het IJslands. Dat was in 1991. Toen werd het in het Engels vertaald en uiteraard begon ik opmerkingen in de kantlijnen te zetten. Het was een prima vertaling, maar toen ik me er nader in verdiepte ontdekte ik dat ik wist hoe ik wilde dat het in het Engels zou klinken. Bij The Journey Home en Walking into the Night ben ik een stap verder gegaan en heb ik me er zelf mee bemoeid. Ik heb ze samen met Victoria Cribb vertaald, in heel prettige samenwerking. Dus wanneer andere mensen mijn boeken vertalen, of het nu in het Nederlands, Duits, Italiaans of een andere taal is, dan laat ik ze de keuze om het uit het IJslands of uit het Engels te doen, omdat beide versies van mij komen. Ik beschouw ze als gelijkwaardig. SK — Heb je ooit overwogen rechtstreeks in het Engels te schrijven? OO — Sommige hoofdstukken van Walking Into the Night heb ik eerst in het Engels geschreven en daarna in het IJslands. Ik kan me niet herinneren welke, of wat me nu precies leidde, want het is zoals gezegd tamelijk gespleten. Het komt waarschijnlijk doordat ik inmiddels mijn halve leven in de VS woon. Het IJslands vormt deel van mijn DNA, maar Engels is de taal die ik overdag spreek. SK — Mensen reageren vaak verbaasd als ik ze vertel dat je je eigen taal kunt vergeten als je in een ander land woont. Je vergeet de basisdingen, je kent de hedendaagse spreektaal niet meer. Ervaar jij dat ook zo? OO — Je kunt je eigen taal inderdaad vergeten. Ik heb dat gemerkt bij mensen die al heel lang in de VS zijn. Mijn vrouw komt ook uit IJsland, dus wij spreken thuis IJslands, maar mensen die het thuis of op hun werk niet spreken, en van wie de kinderen de taal niet spreken, die raken absoluut van alles kwijt. SK — Al vormt die taalverwarring voor een schrijver natuurlijk ook een rijke voedingsbodem. OO — Jazeker. Op dit moment werk ik in twee talen, en dat zal ik waarschijnlijk blijven doen. Mijn huidige probleem is dat het boek dat ik nu bijna af heb zo verrekte lang is. Ik heb het op een andere manier geschreven dan The Journey Home en Walking Into the Night, want daarmee ging ik heel methodisch te werk. Toen ik klaar was met die beide boeken hoefde er dan ook weinig meer aan geredigeerd te worden. Maar ik heb dit nieuwe boek in één ruk doorgeschreven, totdat ik bij het eind was. Het is een ander soort boek. Ik moest wel door, omdat ik een bepaalde toon en cadans nodig had. SK — Heb je het in het IJslands geschreven? OO — Het merendeel wel, maar er zitten ook stukjes Engels bij. Het was 850 pagina’s. Ik heb het ingekort tot 550 à 600. (lacht) SK — (lacht)Dus het is nu nog maar een novelle. Kun je er wat meer over vertellen? OO — Ik ben altijd benieuwd geweest of het mogelijk was iets te vast te leggen van de sfeer van de voorbije eeuw, die krankzinnige eeuw, en dat dan op de een of andere manier in een persoon gestalte te geven. Niet alleen door wat hij doet of meemaakt, maar door hoe hij in elkaar zit, hoe hij zich gedraagt. Het is dan ook een groot, episch verhaal geworden. Het speelt zich af in India, Engeland, de VS, Europa en op IJsland. Mijn hoofdpersoon is iemand die veel reist. Het verhaal beslaat de periode van de jaren twintig tot het begin van de jaren zeventig, toen Spassky en Fischer de Koude Oorlog uitvochtten op een schaakbord in IJsland. SK — Ik heb bij het lezen van je boeken gemerkt dat je interesse vooral uitgaat naar het eerste deel van de vorige eeuw. OO — Dat is zo. Zoals ik laatst als tegen iemand grapte: ‘Ditmaal heb ik zowaar 1972 gehaald!’ SK — Vraag je je ooit af hoe het komt dat je boeken zo waanzinnig populair zijn in IJsland? Komt dat domweg doordat ze door een landgenoot zijn geschreven? OO — Dat moet je mij echt niet vragen. Ik heb met geen enkele van mijn boeken te klagen gehad. Mijn eerste boek verscheen toen ik drieëntwintig was. Dat was een bundel korte verhalen die niet in het Engels vertaald is. Misschien gebeurt dat nog eens. Dat hoop ik althans, want ik heb er nog steeds een zwak voor. In de tijd dat dat boek verscheen, werd beweerd dat korte verhalen niet meer verkochten, dat niemand ze meer wilde hebben. Dat fabeltje doet nog steeds opgeld. Maar dat boek werd heel goed verkocht en al mijn andere ook. The Journey Home brak allerlei records en Walking Into the Night liep nog beter. Maar waarom? (zucht) Ik zou het niet weten. Ze moeten iets hebben wat mensen aanspreekt. SK — Heb je enig contact met je lezers daar? OO — Ik heb contact met ze in de zin dat ik als ik er ben, met de kerst bijvoorbeeld, veel mensen mijn laatste boek gelezen blijken te hebben. Dus als ik naar het zwembad ga, kom ik meestal wel iemand tegen die zegt: ‘Hé, ik heb net je boek gelezen!’ Het interessante aan IJsland is dat iedereen daar literatuur leest. Het is grappig om te weten dat in hetzelfde jaar dat Walking Into the Night bovenaan stond op de bestsellerslijst, de nummer twee Harry Potter was. Er zijn maar weinig landen waar een literaire roman Harry Potter verslaat. In IJsland zijn de mensen niet bang voor literatuur. Ze houden van een goed verhaal, maar dat verhaal hoeft heus niet op dat van de gemiddelde bestseller te lijken. Ik geloof overigens dat dit te maken heeft met hoe bestsellers worden gezien, met name in de Engelstalige landen. Er hangen allerlei negatieve connotaties omheen. De meeste mensen zijn juist heel goed in staat om iets te lezen met enige diepgang. En niet alleen een selecte groep, hoor. In IJsland kun je net zo goed van een buschauffeur als van een hoogleraar te horen krijgen dat hij je boek net heeft gelezen. SK — Zijn de mensen in de zakenwereld en in de literaire wereld waarin je je beweegt verbaasd als ze horen wat je ‘ernaast’ doet? OO — De meeste mensen reageren tamelijk verbaasd, omdat die twee werelden worden gezien als totaal verschillend en mensen ze niet zo goed met elkaar kunnen verenigen. SK — Zijn ze dan zo verschillend? OO — Er zijn verschillen en overeenkomsten. Toen ik werd geïnterviewd voor ons bedrijfsblad bij Time Warner zeiden ze iets in de trant van ‘de directeur, de ultieme insider, tegenover de schrijver, de ultieme outsider’. Waarop ik zei dat dat wel treffend klinkt, maar dat je het evengoed kunt omkeren. Geen enkele succesvolle directeur zal succesvol zijn als hij niet van buitenaf naar zijn bedrijf kan kijken om te zien wat wel en niet werkt. En een schrijver is altijd een insider in zijn eigen boeken, omdat hij deel vormt van de wereld die hij schept. Ik zie mijn directeursfunctie gewoon als werk. Het is mijn baan. Ik probeer het niet te analyseren, want daar schiet ik niks mee op. Ik ben zuiver toevallig in het bedrijfsleven terechtgekomen, maar het schrijven zat er altijd al in. Daar was ik zeker van. Ik had nooit gedacht dat ik ooit in het bedrijfsleven terecht zou komen. Met de meeste soort bedrijven heb ik geen enkele affiniteit. Ik heb altijd in de mediabranche gezeten en die gaat over boeken, tijdschriften, films maken, schrijven, communicatie, entertainment, en zo voort, dus daar ligt wel enige verwantschap. Ik me niet voorstellen dat ik ooit voor een automobielbedrijf zal gaan werken. Ik ben twee keer uit het bedrijfsleven gestapt en twee keer teruggekomen, beide malen omdat ik door vrienden werd gevraagd. Zolang ik kan schrijven vind ik het best. Ik schrijf in de ochtenden, vanaf zeven uur, half acht. Ik vier à vijf uur door en dan ben ik klaar. Daarna komt er niks meer uit en dan kun je maar het beste stoppen, omdat het anders contraproductief wordt. Als je ’s ochtends een dikke vier uur hebt kunnen werken, dan is dat prachtig. Schrijven is zo’n eenzame bezigheid dat ik het prettig vind daarna iets anders te gaan doen. Je spreekt mensen, krijgt met van alles en nog wat te maken, en intussen blijft het schrijversdeel van je hersenen gewoon doorwerken zonder dat je je daar perse bewust van bent. Die andere activiteiten doen er geen afbreuk aan, omdat die zo anders zijn dat het elkaar niet bijt. Ik zou bijvoorbeeld nooit les kunnen geven, of redactioneel werk kunnen doen met andermans teksten. Dat zou voor mij putten uit hetzelfde reservoir zijn. Het zou elkaar enorm in de weg gaan zitten en ik zou vermoedelijk heel gefrustreerd raken. Al werkt het voor sommige mensen weer prima. T.S. Eliot was bankier en uitgever. Wallace Stevens was advocaat. Er zijn schrijvers die arts zijn. Maar uiteindelijk doet het er weinig toe wat voor werk we doen, hoe we ons gedragen tijdens het schrijven, en of we elk kwartier even op ons hoofd gaan staan of niet. Het enige wat er toe doet is wat we schrijven. Daarop worden we uiteindelijk beoordeeld. vertaling: Niek Miedema |
|
| The Ledge Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com Dank aan: De digitale pioniers en Het Prins Bernhard Cultuurfonds Ontwerp: Maurits de Bruijn |
Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs. |
||