the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview Péter Zilahy

Organische gebouwen, menselijke lianen voor de ramen, ze fluiten, wijzen, flitsen met een zaklantaarn, tot leven gekomen kariatiden en putto's. De verkopers staan in de etalage, de etalagepoppen kijken naar buiten en zwaaien. Bouwvakkers zwaaien met hun hamers vanaf de steigers. Een man hangt over zijn balkonrand op de vijfde etage en draait een drie-armige kandelaar rond in de lucht, alsof hij ging vissen in de mensenstroom onder hem. De straten worden rivierdalen, ik laat me meevoeren, een vrouw valt me om de hals, ik spreek geen Servisch. Het geeft niet, ze houdt toch van me.

uit: De laatste raamgiraf

met:
Péter Zilahy
Stacey Knecht

boeken:
De laatste raamgiraf


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Dit is een enorm visueel boek. Wat niet zo verbazend is, omdat je naast schrijver ook fotograaf bent. Wat ik aan jouw foto’s bijzonder interessant vind is de manier waarop de diverse elementen versmelten om een geheel nieuw beeld te vormen. Er is bijvoorbeeld een foto waarop we door de bomen heen een reuzenrad zien. Dat reuzenrad lijkt rechtstreeks uit de takken te groeien. Een reuzenradboom!

PZ — Dat reuzenrad staat trouwens op het terrein van de burcht van Belgrado, die eigenlijk een van de grootste kerkhoven in Europa is, vanwege alle slagen die er zijn geleverd en de mensen die er zijn gesneuveld. De boom put uit al die menselijke grondstoffen. Ik houd van veel verborgen materiaal in mijn werk. Mijn foto’s zijn verhalend; als je er lang naar kijkt zie je een verhaal. Zo werken ze: hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet. Zo bevat ook de tekst van De laatste raamgiraf verschillende lagen. Je kunt het op een heel eenvoudig niveau lezen, als een leerboekje, en mensen die geen literatuur lezen kunnen er ook van genieten. Maar je kunt ook een dieper niveau aanboren en steeds dieper gaan, totdat alle nuances betekenis krijgen. Ik heb enorm mijn best gedaan om het te versimpelen. Eerst heb ik het raamwerk opgezet, wat me een maand of tien heeft gekost, het raamwerk van associaties en verbindingen, als bij een gebouw. Vervolgens vergde het nog elf maanden om dat raamwerk te laten verdwijnen, om het eruit te laten zien alsof het heel snel was geschreven, in één keer.


SK — Heb je het nu over de algehele vorm van het boek?

PZ — Ja, maar ook over de stijl.


SK — Wat was er het eerst? Het raamwerk – het boek heeft de vorm van een kinderalfabet met plaatjes – of de inhoud?

PZ — Allebei een beetje. Ik zat op de wallen van de burcht van Belgrado, waar de twee rivieren samenkomen. Ik zat daar elke middag om even bij te komen tussen de demonstraties door en bedacht dat ik ook iets als rivieren wilde laten samenvloeien. Niet gewoon twee stromen, maar een aantal. Omdat al die rivieren weer vele andere rivieren met zich meevoeren. Ik wilde beelden, teksten, geschiedenis en esthetica bij elkaar brengen, plus Belgrado en Boedapest.


SK — Zou je het oorspronkelijke Ablak-Zsiráf (de Raamgiraf) dat je als blauwdruk hebt gebruikt een leerboek willen noemen?

PZ — Het Ablak-Zsiráf is vele dingen genoemd: een kinderencyclopedie, een kinderlexicon, een leerboek... uiteindelijk is het gewoon een ablakzsiráf. Ik wist van meet af aan dat ik er wat mee wilde doen. Als je in Belgrado rondliep en zag wat er allemaal gebeurde op straat, dan zag je onherroepelijk hoe kinderlijk het allemaal was, hoe men demonstrantje speelde tegen een Big Brother die zoveel machtiger was. Dat was op een bepaalde manier lachwekkend. Dus wil je het hele gebeuren in het lachwekkende trekken. Als iedereen op een kinderlijke manier in het rond rent, sta je meer op gelijke voet. Bovendien behandelde de gevestigde orde ons als kinderen, dus was een kinderencyclopedie een ideale vorm om mee te spelen.


SK — Dus dat ABC dat iedereen in Hongarije gebruikte...

PZ — Bijna iedereen...


SK — Jouw ouders ook?

PZ — Nee, het kwam pas uit rond mijn geboorte, in 1970. Het is een boek voor een bepaalde generatie. Het is geschreven door een bekende psychiater, een hele pief.


SK — Dus er zat een 'serieuze boodschap' in verstopt.

PZ — Het was een kinderboek, maar er zaten inderdaad veel dingen in die als boodschap konden worden opgevat. Ik heb voor mijn boek diverse citaten gebruikt die je op verschillende manieren zou kunnen opvatten.Maar in die tijd had alles een dubbele bodem, omdat je nooit kon zeggen wat je echt vond. Het was een soort geheimtaal. Je moest tussen de regels door lezen. Als je een nieuwsbericht las, was altijd het tegenovergestelde waar. Als TASS bijvoorbeeld ontkende dat er boven China een Koreaans vliegtuig was neergehaald, dan wisten wij dat het tegenovergestelde het geval was. Daardoor was het in feite een geweldige tijd voor grappen, want elke keer dat je iets zei kon je het tegenovergestelde bedoelen. Je kon iets volkomen onschuldigs zeggen en het hele land lag dubbel. Of knipoogde veelbetekenend.


SK — Maar hoe kun je als kind dat in dergelijke omstandigheden opgroeit in 's hemelsnaam weten dat er een andere betekenis schuilgaat achter wat je ziet?

PZ — Die betekenissen bestaan naast elkaar. Van meet af aan. De meeste Hongaren spreken geen vreemde talen, maar dit verschijnsel maakt hen allemaal automatisch tweetalig.


SK — Als je opgroeit met de gedachte dat alles een dubbele bodem heeft – in het boek heb je het over tussen de regels doorlezen, iets wat steeds weer opduikt - dan moet dat je kijk op de wereld beďnvloeden. Zelfs de manier waarop je fotografeert. Wat zie jij als je door je lens kijkt? Wat zoek je?

PZ — Het is een langdurig proces. Aanvankelijk fotografeerde ik alleen maar gezichten. Dat was het enige wat me interesseerde, omdat gezichten zo sprekend zijn en zo veranderlijk. Maar op den duur besefte ik dat er veel meer is en als ik lang met mijn camera rondloop begin ik een foto te zien. Soms loop ik ergens drie dagen omheen voordat ik er een foto van maak. Ik loop niet eindeloos te klikken. Ik heb de camera meestal niet eens bij me. Je zult me niet vaak met camera tegenkomen. Ik moet foto's maken die vele dingen met elkaar in verband brengen. Daar is het me om te doen. Louter de esthetische buitenkant interesseert me niet. Ik wil ook mezelf verrassen. Ik wil iets nieuws zien in de foto wanneer die ontwikkeld wordt.
Na verloop van tijd realiseerde ik me dat ik ook van alles kon doen met beelden en tekst. Bij dit boek merkte ik uiteindelijk dat ik ze zondanig kon combineren dat er een harmonieus geheel zou ontstaan. Of spanning. Soms harmonie, soms spanning.


SK — Zoals je over je fotografie spreekt, is dat ook hoe je het schrijven benadert?

PZ — Ja, maar het resultaat is anders en ook het effect is anders. Ik schrijf en herzie. Ik schrijf met de hand. Met potlood. En ik schrijf lopend. Ik loop rond. Soms doe ik er 15 kilometer over om een kort verhaal te schrijven.


SK — Dus je loopt onder het schrijven?

PZ — Ja, ik loop door mijn kamer. Ik heb dan pagina's op de vloer geplakt en op de muren en zo, en dan schrijf ik hier wat en daar wat en loop heen en weer. Aan het eind moet je dan alles op zijn plek zetten, samenvoegen, en ten slotte gebruik ik de computer, waarna ik het nog een keer herschrijf, en er nog eens naar kijk, en twee weken later nog eens... het vergt veel tijd. Je hebt voor een boek twee ŕ drie jaar nodig, of langer.


SK — De laatste raamgiraf wordt alfabetisch gepresenteerd, als een echt woordenboek, maar ik betwijfel of je het ook in die volgorde geschreven hebt.

PZ — Nee, maar ik heb het wel binnen een bepaalde structuur geschreven. Ik had een route, een kaart in gedachten. Ik dacht ook aan de hypertekst.


SK — Zoals bij een woordenboek.

PZ — Precies. Van hier naar daar, en van daar naar elders, en dan kun je hier een weggetje leggen en daar een weggetje leggen. Het is eigenlijk een soort doolhof, maar niet eentje waarin je verdwaalt. Het is gewoon een manier om verschillende routes te ontdekken om op dezelfde plek uit te komen.


SK — Soms vertelt het boek je zelfs waar je heen moet. Op bladzijde 3 staat bijvoorbeeld: 'Uit dit woordenboek kunt u interessante dingen leren over Belgrado. Over de jungle kun je lezen bij de letter Ö, onder öserdö.’ Op bladzijde 16 vinden we bij de letter dzs, een ongebruikelijke letter voor Nederlandse lezers: ‘Dzsungel, van het engelse jungle: kijk bij de Ö van öserdö.’ Dus zoeken we de letter Ö op en zien dat öserdö oerbos betekent, soms ook wel jungle genaamd. Zie ook bladzijden 3 en 16. Ga hierheen, ga daarheen...

PZ — Ja. Het is makkelijker wanneer je een vorm hebt, zodat je dergelijke verwijzingen kunt opnemen, bij wijze van grap. En je kunt dingen uitleggen zonder ze uit te leggen, omdat dat de natuurlijke vorm van een woordenboek is. Ik dring de lezer niks op. Ik bied de informatie op een speelse manier aan. En je hoeft geen Hongaar of Oosteuropeaan of enigerlei deskundige te zijn om het boek te kunnen lezen, omdat alle benodigde informatie erin staat.


SK — Goed, Péter. Deze vraag stel ik absoluut nooit aan schrijvers, maar bij jou...

PZ — Laat je dit staan? 'Deze vraag stel ik absoluut nooit aan schrijvers, maar bij jou...


SK — De verteller van De laatste raamgiraf heet toevallig Péter. Ben jij het zelf?

PZ — Jazeker. Maar wie is die 'jij'? Zelfs als ik het ben. Kun je wel 'mij' opschrijven? Kan ík wel 'mij' opschrijven? Kan ik 'jij' opschrijven? Ik heb er geen problemen mee als jij dat doet. Het is immers een fictieve 'jij'. Het is een een 'jij' waartoe ik geen directe toegang heb, dus moet ik me die 'jij' of 'mij' voorstellen. En mijn beeld van 'jij' of 'mij' verandert natuurlijk voortdurend. Zodat ik dit boek over tien jaar waarschijnlijk heel anders zal lezen.


SK — Ik was nieuwsgierig omdat ik je al kende en me onder het lezen een voorstelling maakte van de scholier Péter, een jongere uitgave van jou.

PZ — Maar ook ik heb een beeld van die schooljongen Péter, net als jij. Het is natuurlijk niet echt mezelf. Hoe zou dat ook kunnen? Er zit teveel afstand tussen ons. Bovendien heb ik waarschijnlijk alles wat ik heb geschreven bedacht. Dat is het personage dat ik heb geschapen, dus waarom zou ik het geen 'mij' noemen?


SK — Goed. Dat is duidelijk genoeg. Ik heb hier een citaat uit het boek dat ik je wil voorleggen: 'De Hongaar is een soort Servo-Kroaat. Iemand zonder land.'

PZ — Hongaren zijn altijd op zoek naar hun wortels en tegelijkertijd proberen ze te benadrukken hoe bijzonder ze zijn, en dat maakt het erg moeilijk voor hen om te integreren. Het Servokroatisch is in de jaren vijftig van de negentiende eeuw ontworpen om één land te creëren. Nu is het precies andersom. Nu willen ze het uit politieke overwegingen opsplitsen in drie talen. In die zin is het Hongaars ook iets bedachts, een kunstmatige schepping. De naam 'Hongaars' is ons opgeprikt, want zelf noemen we onszelf 'Magyar’. En zelfs Magyar is een kunstmatig etiket, zoiets als Holland tegenover Nederland, het is niet het geheel, maar slechts een provincie. Dat hele idee van een natie is fictief. We moeten dat scheppen en herscheppen en ik probeer creatieve manieren te ontwikkelen om daarover na te denken, zonder in de oude valkuil te vallen van het altijd maar alleen staan, volkomen anders zijn, onbegrepen zijn...


SK — Zijn dat de vaste clichés over de Hongaren?

PZ — Ja. We hebben een enorm hoog zelfmoordcijfer. Inmiddels zijn we naar plaats vijf gezakt, maar gedurende de twintigste eeuw zat Hongarije bijvoorbeeld veel hoger dan Japan. Nu gaan Litouwen en Letland aan kop.


SK — Je hebt veel belangstelling voor geschiedenis, hč?

PZ — Ja. Dat is onontkoombaar voor een Hongaar. In alle Oost-Europese landen wordt op school erg veel aandacht besteed aan geschiedenis, met de bedoeling dingen te verklaren. De mensen zijn erg bezig met dat soort verhalen, de verhalen die de historici bedenken. Het is een populair soort verhaalvorm: 'En 2000 jaar geleden deden we zus en zo, en toen trokken we ten strijde en hakten ze in de pan en toen kwam de keizer van zijn troon af en zei tegen de opperbevelhebber: 'O nee, de Hongaren staan voor de poort!' En zo gaat het overal! Ga maar naar elk willekeurig klein landje en je krijgt dezelfde verhalen te horen over hoe ze de wereld hebben gered van de Turken, over dat ze alles hebben uitgevonden, van de balpen tot de computer, dat hun literatuur de beste ter wereld is, dat hun vrouwen de mooiste ter wereld zijn en waarom ziet niet iedereen dat in?


SK — Dus het is iets Oosteuropees? Dat weet je zeker?

PZ — Beslist. Ik ben in al die landen geweest. Ze zijn uiteraard niet allemaal eender, maar ze lijken wat dit betreft op elkaar en het is in wezen ontzettend komisch dat ze dat zelf niet zien, dat ze niet zien hoe ironisch het is dat een dorp verderop iedereen hetzelfde roept, want allemaal zijn ze er het allerberoerdst aan toe en allemaal hangen ze hetzelfde huilverhaal op. En kom je honderd kilometer verderop, dan is het een ander volk met een iets ander verhaal, iets anders getint, maar ook zij hebben de meest tragische geschiedenis en het is allemaal even erg... De Hongaren gaan daar erg ver in, maar anderen kunnen er ook wat van.


SK — Maar hoe kun je ooit een duidelijk beeld krijgen van dingen die zijn gebeurd als iedereen zijn eigen mythes bedenkt?

PZ — Dat is lastig. In mijn land bestaat bijzonder weinig zelfkennis. Daardoor zal het ontzettend moeilijk zijn er iets te veranderen. Dat zal heel lang duren. Mijn generatie moet eerst zijn verdwenen en plaats hebben gemaakt voor flexibeler mensen.


SK — Jouw generatie? Gek, maar ik had jou helemaal niet gezien als behorend tot een bepaalde generatie.

PZ — Het is niet echt een generatie. Maar er is een duidelijke scheidslijn. Mensen die vijf jaar jonger zijn dan ik hebben geen flauw idee meer van het leven in een zogeheten socialistisch land. Het is eigenlijk nog maar pas geleden. Ik heb achttien jaar onder het regime geleefd. Dat is voldoende om er enig idee van te hebben. Voldoende om in aanraking te komen met de politie.Voldoende om enige vernederingen te hebben ondergaan, maar niet in die mate dat je er echt wat aan overhoudt. Ik heb in feite geweldig geluk gehad, want als ik tien jaar langer onder dat regime had geleefd, had ik veel erger in de problemen kunnen komen, of had ik wellicht zodanige vernederingen moeten ondergaan dat het me wezenlijk veranderd zou hebben, of ik was in de gevangenis beland of zoiets. Maar zoals het nu is gegaan heb ik voldoende gezien en begrepen, terwijl het nog een uitdaging bleef, iets spannends. En ik was tegen het regime, dat slecht was, zodat ik goed was, waardoor het een hele positieve volwassenwording was. Tegenwoordig hebben jongeren dat niet. Het gaat alleen nog maar om geld. Je kunt niet tegen geld zijn, dat heeft geen zin. Dus was het eigenlijk heel goed om in die tijd op te groeien, in de nadagen van het regime. Ik heb er veel van geleerd. Ik heb in twee werelden geleefd. Ik ken twee verschillende stelsels, als het ware. Zodat ik in zekere zin beter ben toegerust voor de dingen die komen gaan.


SK — Geldt dat ook voor de mensen om je heen? Vrienden, familie, anderen van jouw 'generatie'? Of ben jij een uitzondering? Jij hebt ervoor gekozen boeken te schrijven en te werken via fotografie, film, performances.

PZ — Mijn familie heeft lange tijd veel voor me verborgen gehouden. We hebben voor mij al diverse kunstenaars in de familie gehad, maar daar had niemand me ooit iets over verteld. Kunst werd bij ons thuis als iets onbelangrijks beschouwd. Mijn ouders waren wetenschappers. En ze verwachtten dat ik ook die richting op zou gaan. Wat ik inderdaad ook wilde. De moeilijkheid was dat ik me, toen ik eenmaal ging studeren, realiseerde dat het heel moeilijk voor mij zou worden om het in het Hongaarse universitaire systeem uit te houden, omdat ik zeg wat ik denk en dat zijn ze niet gewend. Dat heeft mijn carričre beďnvloed. In die tijd, op mijn achttiende, ben ik ook gaan schrijven. Ik was helemaal niet van plan schrijver te worden of iets kunstzinnigs te gaan doen.


SK — Hoe ging dat dan?

PZ — Ik had tijd over bij de colleges Engels. Ik sprak al Engels, maar aanwezigheid was nu eenmaal verplicht. Ze lieten me achterin zitten, waar ik mocht doen waar ik zin in had. Ik begon wat te krabbelen en het bleken gedichten te zijn. Ik liet ze aan een paar mensen zien en drie maanden later stonden ze in de beste tijdschriften. En ineens voelde het alsof ik deel uitmaakte van de grote schrijversfamilie. Ik was enorm idealistisch en voelde me heel gelukkig, uitgelaten. Na twee jaar was ik volledig uit de droom geholpen. Maar toen, in het begin, was ik een échte schrijver, een dichter!


SK — Schrijf je nog steeds gedichten?

PZ — Dat wel, maar ik kan niet meer uit de voeten met het idee van een dichtbundel. Boeken en gedichten... ik zou dan een bepaalde hoeveelheid werk moeten opleveren en dat in boekvorm moeten bundelen, maar daarmee zou het voor mij nog geen boek zijn. Nee, ik kan niet meer denken in termen van dichtbundels.Ik kan alleen nog denken in termen van gedichten.


SK — Je proza is heel poëtisch. Door de associatieve aard waar we het over hadden, de gelaagdheid. Je weet als lezer niet altijd wat er precies staat, en dat hoef je ook niet altijd te weten. Zoals bij een goed gedicht. De lezer moet bereid zijn enige moeite te doen.

PZ — Ja. Ik laat mijn lezers er graag voor werken. Ik heb er tenslotte ook voor gewerkt. Maar ik dwing ze nergens toe. Ze kunnen genieten van de buitenkant en weer vertrekken. Maar als ze bereid zijn te blijven, zet ik ze aan het werk.


SK — Laten we even teruggaan. Je hebt in je leven ontzettend veel gereisd. Waarom heb je ervoor gekozen je eerste boek over Belgrado te laten gaan?

PZ — Dat is zoiets raars. Iedereen verwachtte dat ik een boek zou schrijven over Japan, Australië of Tasmanië, en toen schreef ik er eentje over het buurland. Het gaat trouwens niet speciaal over dat buurland, want het gaat ook over Hongarije. Ik gebruik Belgrado als voorbeeld. Over 99 procent van mijn reiservaringen heb ik niks geschreven. Misschien doe ik dat ooit nog wel eens, maar het simpele feit dat ik mezelf of een of ander personage op een bepaalde plek zou kunnen neerzetten om allerlei toeren uit te halen, tja, dat vind ik evenmin genoeg voor een boek. Ik vind dat een reisboek echt een verhaal moet vertellen. Het moet iets meer te betekenen hebben.


SK — Vertel eens waarom je naar Belgrado bent gegaan.

PZ — Ik ben naar alle Oosteuropese demonstraties geweest. Aanvankelijk deed ik dat omdat ik het gedrag van een massa vanuit antropologisch standpunt wilde bestuderen. Ik kom uit een keurige familie en wij hielden ons niet graag in massa's op, zodat ik domweg nieuwsgierig was. Dat was de ene kant. De andere was: 1956. Wij zouden in Hongarije niet nog een revolutie krijgen, omdat we de onze al in 1956 hadden gehad. Dit keer zou het geruisloos gaan en zou de omwenteling geleidelijk plaatsvinden. Maar geen enkele van de ons omringende landen had al een revolutie achter de rug, dus die hadden iets wilders nodig. Iets dat meer euforisch was. Iets dat leek op wat ik van mijn ouders en de vrienden die het hadden meegemaakt had gehoord over 1956. Ik heb al die landen bezocht om mijn eigen glimp van 1956 op te vangen. Om te proberen daar nog iets van mee te beleven, van die euforie, die illusie van vrijheid, alles wat een revolutie een paar dagen lang perfect maakt maar misschien voor de rest van je leven afschuwelijk. Dat er zoiets gebeurt, dat mensen ineens ongelooflijk gelukkig zijn, en dat saamhorigheidsgevoel, dat wilde ik perse meemaken.


SK — Wanneer ben je begonnen met reizen?

PZ — In 1987. Het duurde al met al een jaar of tien, dat ik van de ene demonstratie naar de andere trok. Soms gaf ik de demonstranten zelfs raad. Ik had immers heel wat ervaring! Ik vertelde ze hoe ze effectiever konden optreden, hoe ze politiecordons konden omzeilen, of grappige manieren waarop ze de politie achter zich konden krijgen, bijvoorbeeld door ze chocola te geven of bloemen. Allerlei kleine tips.


SK — Dus je was een demonstratiekundige.

PZ — Ja, een demonstratiekundige. Ik was geen journalist. Ik schreef er niet eens over. In zekere zin was ik eerder een 'demonstratiewetenschapper'. Maar uiteindelijk schreef ik geen wetenschappelijke verhandeling over demonstraties, maar een roman, die tevens vol feitelijke informatie zit. Sommigen zien het als handboek, anderen als poëzie. In Oekraiene gebruiken ze het voor praktische doeleinden. In Servië gebruiken ze het als bronnenmateriaal voor wat er op bepaalde plekken gebeurd is. In Oekraiene was het boek heel belangrijk. De Oekraiense schrijver Joeri Androekovitsj schreef me tijdens de demonstaties daar: 'Wij leven momenteel in jouw boek.'


SK — Had je tijdens al die jaren dat je van demonstratie naar demonstratie trok enig idee van wat er te gebeuren stond? Kon je zien aankomen welke kant het op zou gaan?

PZ — Ja, ik kon duidelijk zien aankomen wat er zou gaan gebeuren. Van dag tot dag. Als mensen dingen zeiden als: 'De politie komt zometeen korte metten met ons maken', dan zei ik: 'Nee, de politie komt niet, althans niet nu.' Of ik zei, in sommige situaties: 'Vanavond gaan er klappen vallen. Je kunt maar beter thuisblijven.' En dan víelen er ook klappen. Ik zag dat altijd wel aankomen. Ik ben naar Berlijn gegaan omdat ik dacht dat de Berlijnse muur eerdaags zou vallen en iedereen verklaarde me voor gek. Zelfs vandaag de dag nog denken mensen als ik iets dergelijks zeg dat ik lieg of dom ben. Maar mijn intuďtie had het vaak bij het rechte eind en dat heeft mij en anderen een paar keer gered. Ik reisde niet naar die plaatsen om te vechten of een beetje los te gaan. Ik was nieuwsgierig. In Belgrado hebben een heleboel mensen tegen me gezegd dat wat ze vooral prettig vonden aan mijn aanwezigheid was dat ik geen westerling of demonstratietoerist was, maar ook niet een van hen. Ik was erbij betrokken, maar stond er tegelijkertijd buiten. Ik hoorde bij hen, maar was niet een van hen. Ik had geen vooroordelen en was niet belast met gevoelens van nationalisme.


SK — Werd je geaccepteerd?

PZ — Volkomen. In Belgrado helemaal. Maar niet overal en altijd. In Praag waren nogal wat studenten erg snobistisch. Als ik Engels tegen ze sprak waren ze aardig, omdat ze me voor een westerling hielden en ze opkeken tegen westerlingen. Maar als ik ze vertelde dat ik Hongaar was, verflauwde hun belangstelling gelijk.Het gekke is dat ik veel meer 'westers' was dan zij. Maar ze dachten: Hongarije ligt naar het oosten en we kunnen geen hulp aannemen uit het oosten. In Oost-Duitsland waren ze echter weer ontzettend aardig. In Polen ook. In Roemenië lag het ingewikkelder, want daar kon je zelf ook doelwit zijn. Er is een grote Hongaarse minderheid in Roemenië en de geheime politie was erg tegen de Hongaren daar gekant. Al die landen kenden een heel verschillend soort dictatuur. En ze hebben ook verschillende soorten revoluties doorgemaakt, waarbij sommige meer hebben bewerkstelligd dan andere. Je kunt vijftig jaar niet zomaar uitvlakken. Er lopen nog teveel mensen rond uit het oude systeem, die dingen op de oude manier doen. Het is een automatisme. Je bent je er niet altijd van bewust, maar zo is het wel. Dus, zoals gezegd, is het wachten op nieuwe generaties. En die mensen moeten vreemde talen leren spreken. En ze moeten allemaal veel meer kennis over hun eigen verleden krijgen.


SK — Denk je dat dat gebrek aan kennis over het eigen verleden iets typisch Oosteuropees is?

PZ — Ik vermoed dat het voor Oost-Europa sterker geldt dan voor elders. Neem nou bijvoorbeeld de Nederlanders en hoe die naar zichzelf kijken. Dat is veel realistischer. In ons geval is het veel moeilijker om realistisch te zijn, omdat men niet veel weet over de oorsprong van het volk dat men de Hongaren noemt. En dan ontstaan er mythen, mythen over het verleden.Toen ik klein was, was Hongarije het minst nationalistische land van het Oostblok. Het regime propageerde dat helemaal niet. Tegenwoordig is het veel nationalistischer en wordt er door veel meer mensen en binnen veel meer gezinnen over politiek getwist. Rechts makt zich behoorlijk druk over een aantal dingen. Het land is vandaag de dag verdeeld en dat sleurt ons omlaag. We worden alsmaar zwaarder. Ooit waren we het toonangevende land in de regio. Dat kun je tegenwoordig beslist niet meer zeggen.


SK — Heb je ooit overwogen ergens anders te gaan wonen? Zou je ergens anders kunnen leven?

PZ — Nou, ik heb wel voor kortere tijd op verschillende plaatsen gewoond. Een jaartje hier of een jaartje daar lukt me wel, maar dan ga ik het eten missen, de gezichten, de plek waar ik ben opgegroeid, wat ook de plek is waar mijn vader is opgegroeid, en diens vader... Mijn wortels liggen daar.


SK — In hetzelfde huis?

PZ — Dezelfde tuin. De huizen zijn diverse malen vernietigd, maar de tuin is nog dezelfde, met oude bomen, een romkert, een tuin met ruďnes van de huizen die er vroeger stonden, zoals bijvoorbeeld een gebroken negentiende-eeuwse zuil, het oude terras waar ik vroeger op speelde, een oude poort, een ondergrondse wijnkelder, een paar stenen die ooit dienden als voetstuk voor palmen. Ik ben gehecht aan die omgeving en zou hem tezeer missen. Ik weet niet of het onmógelijk zou zijn om ergens anders te leven. Ik bedoel, als je me een Hof van Eden ergens zou aanbieden... Maar zelfs dan zou ik waarschijnlijk niet gaan tenzij ze daar Hongaars spraken. Ik moet de taal om me heen hebben. Ik ben tenslotte schrijver. Het zou moeilijk zijn om te vertrekken. Aan de andere kant kan het in mijn eigen land ook een verschrikking zijn, dus ga je ook altijd heen en weer. Maar ik keer altijd weer terug. Ik ben altijd op weg naar huis.

vertaling: Niek Miedema
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.