the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview Isabel Allende

In de nacht, als de volle maan schijnt, komt een ruiter genaamd Zorro. Deze dappere rebel kerft een Z met zijn mes, een Z die staat voor Zorro. Zorro, de slimme, vrije vos. Zorro, die het teken van de Z maakt.’
- Zorro, Disney, 1957.

Ik zie mij genoodzaakt over deze belevenissen te vertellen omdat het weinig zin heeft dat Diego omwille van het recht zijn leven in de waagschaal stelt als niemand er weet van heeft.
- Zorro, Allende, 2005

met:
Isabel Allende
Stacey Knecht

boeken:
Zorro: op weg naar zijn lotsbestemming


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Je hebt jezelf omschreven als het soort schrijfster dat ‘niet kan werken vanuit een opzet.’ Wanneer je begint weet je niet waar het boek over zal gaan. En toen zat je ineens voor het blok met een opdracht een boek te schrijven over Zorro. Was dat lastig?

IA — Niet echt. Ze boden me de klus aan. Ze benaderden mij en zeiden dat ze iemand zochten om het boek te schrijven omdat ze al het andere al hadden gedaan – films, stripverhalen, alles over Zorro behalve een literair boek. Aanvankelijk meende ik dat het niks met mij te maken had, het hele onderwerp, en dat ik er niks mee zou kunnen. Maar toen ging ik de films bekijken en raakte verliefd. Ik raakte verliefd op het personage en op het project. En ik had alle mogelijke vrijheid, want het moest over de eerste twintig jaar uit het leven van Zorro gaan, dus voordat hij feitelijk Zorro wordt. Zodat mijn taak eruit bestond te verklaren waarom hij Zorro wordt. Ik had wel enkele beperkingen: de tijd, de plaats en het feit dat hij een zwart pak draagt, compleet met masker, zwaard en zweep. En dat hij een paard had dat Tornado heette. Dat was alles. Voor het overige mocht ik mijn gang gaan. Ik besloot om hem een mesties te maken, dat wil zeggen iemand met een Spaanse vader en een Indiaanse moeder, en om hem grillig, onberekenbaar en een beetje getikt te maken, alle dingen die ík hem kon laten zijn omdat ze bij mij hoorden. Dat beviel me wel. Het voelde nooit aan als een opdracht. Ik heb wel een opzetje geschreven voor de eigenaren van het personage, zodat zij dat konden goedkeuren, maar ik hield het heel vaag, om te vrijheid te behouden dingen te veranderen.Want als je eenmaal aan een boek begonnen bent, weet je niet waar het heen zal gaan. Soms merk je dat je op een doodlopend spoor zit en een andere kant op moet. Dat gebeurde een paar keer en de eigenaren vonden het niet erg. Het is een heel organisch proces. Je doet maar wat en dan beginnen de personages het over te nemen. En wanneer zij het overnemen, dan begint het boek pas.


SK — Als je ‘ze’ zegt, doel je dan op de eigenaren van het copyright op Zorro?

IA — Ja, het gaat om een bedrijf dat Zorro Productions heet. Johnston McCulley schreef in 1917 een boek over die figuur en een paar jaar later kocht iemand de rechten van hem en verkocht ze door aan Disney, die vervolgens alle films maakte. Vervolgens kreeg hij de rechten terug en richtten ze een productiemaatschappij op, en vanaf dat moment… ik bedoel, zelfs als je een Zorro-pak koopt, is het merkrecht van hen. Dus als ik uit mezelf met het idee was gekomen om een boek over Zorro te schrijven, dan had ik dat niet kunnen doen zonder hun toestemming. Ze zijn erg streng.


SK — Je zei dat je je aanvankelijk onwennig voelde met het materiaal. Het gekke is dat ik, toen ik het boek las, dacht: dit is het perfecte verhaal voor Isabel Allende. Alle elementen zitten erin: de sterke heldin, de strijd tegen onrecht, de spiritualiteit, de aardsheid. Als ze niet naar je toe waren gekomen, zou het me niet hebben verbaasd als je er zelf mee zou zijn gekomen.

IA — (lacht)Ik denk niet dat ik ermee gekomen zou zijn, omdat ik nooit zou hebben gedacht dat ik iets gemeen zou hebben met Zorro. Maar nu voel ik dat wel heel sterk. Veel dingen in het leven van dat fictieve personage zijn dingen die mij aan het hart gaan. Zoals de strijd voor rechtvaardigheid, de strijd van de kleine man, de link met de indianen, met het land. Maar ook het feit dat het boek wordt verteld met de ironische stem van een vrouw.


SK — Voor die stem heb je zelf gekozen…

IA — Ja.


SK — Heb je het daarmee ‘jouw’ verhaal gemaakt?

IA — Ja. Ik heb haar zelfs Isabel genoemd.


SK — Dat was me al opgevallen. (beiden lachen) Het is me ook opgevallen dat er heel weinig dialoog in het boek voorkomt.

IA — Ja, ik vermijd dialogen meestal. Soms geven ze vaart aan het verhaal, maar vaak ook zijn de dialogen het probleem. Want hoe moet je deze mensen laten praten? Spreken ze oud Spaans? Dat zou lastig worden voor de lezer. Maar als je het in modern Spaans doet, klinkt het raar. Dus wanneer ze praten, praten ze maar heel kort. Ze krijgen af en toe een paar zinnetjes.


SK — Diego/Zorro is een vertederende figuur. Ergens wijst iemand hem erop dat Diego ‘van vlees en bloed’ is, terwijl Zorro een ‘fantoom’ is. En dat is ook zo. Er komt een verandering over hem zodra hij dat masker opzet. Hoe heb je het aangepakt om hem twee kanten te gegeven?

IA — Een deel komt vanzelf voort uit het zwarte pak. Zoals bij alle actiehelden, Spiderman, Superman, Batman, die allemaal de zonen zijn van Zorro, omdat Zorro de eerste was. Zij zijn afgeleiden van hem. Ze dragen allemaal een pak, een masker, een cape, ze strijden allemaal tegen onrecht, en ze hebben allemaal een tweeledige persoonlijkheid. Dat gold ook al voor de eerste Zorro. De eerste Zorrofilm is in 1920 gemaakt door Douglas Fairbanks. Dat was nog een stomme film. En daarin scheidt hij de twee persoonlijkheden al. Waar hij níet Zorro is, is hij verwijfd, een beetje onnozel, en heel zwak. Zodra hij het masker opzet, wordt hij een ander. Ik heb dat met make-up. Elke ochtend doe ik mijn make-up op en voordat ik dat heb gedaan ben ik het nog niet zelf, is het iemand anders.


SK — (lacht) En wat gebeurt er als je hem er weer afhaalt?

IA — Dan ben ik het niet meer! Het allerlaatste wat ik doe voor ik naar bed ga, is mijn make-up verwijderen, want daarna ben ik het helemaal niet meer. Als het kon, zou ik mijn man nooit mijn gezicht laten zien zonder make-up, maar dat valt niet mee. (lacht)


SK — Dus Zorro was de eerste van een reeks van superhelden, sommige waarvan onoverwinnelijk waren. Zoals Superman. Die kon je niet doden tenzij je kryptoniet gebruikte. Maar Zorro is…

IA — … volkomen menselijk. Dat is nou een van de dingen aan hem waar ik oprecht van houd. Alle moderne helden, de actiehelden, gebruiken hulpmiddelen. Ze bezitten wapens die de wereld kunnen vernietigen. Er wordt altijd maar bloed vergoten. Het gaat allemaal over doodmaken. Zorro gaat over het vernéderen van de tegenstander, maar als hij het kan vermijden zal hij hem niet doden. Hij beschikt niet over hulpmiddelen, afgezien van het zwaard waar hij zo goed mee is. Zo’n tweegevecht is heel persoonlijk, hij vecht niet met een wapen dat je van afstand afvuurt.


SK — Het confronteert je met elkaar.

IA — Ja. En dus komen er slimheid, dapperheid, behendigheid en lenigheid bij kijken, zaken die de moderne actieheld niet nodig heeft. Wat je vandaag de dag moet hebben zijn hulpmiddelen. Dat vind ik ook zo leuk aan hem. Hij is een mengeling van Robin Hood, Che Guevara en Peter Pan.


SK — Peter Pan? Omdat hij nog zo’n jongetje is?

IA — Ja, hij blijft een jongetje. Aan het eind zegt de verteller dat hij te oud wordt voor dit soort gedoe (lacht), maar hij gaat er nog steeds mee door. Kap er toch mee! Ga wat serieus doen! Hij wil Zorro zijn. Wat je ook voor hem inneemt, is dat hij verliefd wordt op een vrouw die zijn liefde niet kan beantwoorden.


SK — Waarom doet hij dat?

IA — Ik denk dat ik wilde dat hij heel kwetsbaar zou zijn. Ik wilde niet dat hij een James Bond zou zijn. Ik heb een gloeiende hekel aan James Bondfilms. Die gaan over mannelijke superioriteitsgevoelens, domme vrouwtjes en apparaatjes. James Bond zonder de apparaatjes en de technologie is een achterlijke idioot. Wat zou hij moeten beginnen zonder het klokje waar je op moet drukken zodat het ontploft als een atoombom? Hij zou zich geen raad weten! Maar Zorro gaat uit van eigen kracht en van zijn vindingrijkheid om oplossingen te bedenken.


SK — Vanaf het begin van het boek is hij voortdurend bezig te leren. Van de mensen om hem heen. Hij zoekt leermeesters op…

IA — Ja, hij leert om te kunnen worden wat hij uiteindelijk wordt.


SK — Misschien zonder te beseffen waar het allemaal toe zal leiden.

IA — En hij raakt in de problemen. Hij is een hyperactief soort jongen. Ik vond het belangrijk hem af te zetten tegen zijn broer, de indiaanse jongen. Want die is zijn alter ego. De andere jongen is introvert, serieus, verstandig, geaard.


SK — Hij praat niet.

IA — Precies. Hij is een en al innerlijk. En bij Zorro is het een en al uiterlijkheid. Allemaal ijdelheid en uitsloverij. Zijn broer houdt hem met beide benen op de grond en beschermt hem. Het contrast tussen die beiden stelde mij in staat een speelsere Zorro te creëren, een veel speelsere Zorro.


SK — Heb je Bernardo ook bedacht?

IA — Bernardo komt voor in de eerste films. Maar daarin was hij doofstom en hing hij de pias uit. Ik vind hem confronterend omdat hij op alle mogelijke manieren politiek incorrect is. Hij werd bejegend alsof hij debiel was. Ik wilde iemand die niet praatte omdat er iets vreselijks was gebeurd in zijn leven, niet omdat hij een pias was.


SK — Uit eigen keuze.

IA — Ja. Hij kiest ervoor om niet te praten. En door daarvoor te kiezen, komt hij in een andere dimensie terecht, een andere wereld, die hem in staat stelt te zien wat anderen niet zien. Men ziet hem over het hoofd, waardoor hij informatie kan verzamelen. Hij kan ergens in een kamer zijn zonder dat je merkt dat hij er is. In complete tegenstelling tot Zorro. Iedereen merkt het altijd als Zorro er is.


SK — Heette hij oorspronkelijk ook Bernardo?

IA — Ja, maar toen ik besloot het personage Bernardo te gebruiken, heb ik wel aan Zorro Productions gemeld dat ik hem anders zou maken dan de Bernardo uit de films. Ik wilde een heel ander soort personage, dus misschien moest ik hem een andere naam geven, maar ze zeiden, nee, handhaaf die naam maar en doe het hoe jij het wilt.


SK — Hij is zo belangrijk in het boek dat het verhaal zonder hem moeilijk denkbaar is.

IA — Het was voor mij niet mogelijk geweest het boek zonder hem te schrijven. Ik had hem immers nodig om Zorro goed uit te lichten. Ze lichten elkaar uit.


SK — Ik durf te wedden dat er van alles van jezelf in veel van deze personages zit.

IA — Ja, maar dat weet je nooit precies. Je weet nooit precies wat.


SK — Een van de figuren waar ik met name nieuwsgierig naar ben is Regina. Zij zegt op zeker moment dat ze in haar eigen taal droomt, wat voor mij, als iemand die al heel lang in het buitenland woont, heel herkenbaar was. Jij hebt ook vele jaren niet in je geboorteland gewoond. Ik vraag me af hoe je Regina ziet, en hoe zij is ontstaan.

IA — Zij is een historische figuur. Ze heeft echt bestaan. Aan het begin van de achttiende eeuw, in de tijd dat Californië een zendingsgebied was, leefden de indianen nog verspreid in stamverband. Ze spraken niet eens dezelfde taal. Ze gebruikten gebarentaal, die de oorsprong vormt voor de gebarentaal van Bernardo. En ze dreven handel. Je had niet één volk, één indiaanse natie, maar ze leefden verspreid over een uitgestrekt gebied. De afzonderlijke stammen waren heel klein. En toen kwamen de zendelingen en de Spanjaarden, die het land in bezit namen. Zij begonnen de indianen dingen af te nemen. Met name de jachtgronden. De indianen zijn nooit in opstand gekomen, op één keer na, toen een aantal stammen hun krachten bundelden en onder leiding van één opperhoofd de zendingsposten aanvielen. Verschillende zendingsposten moesten worden verlaten. Na verloop van tijd werd ontdekt dat het indiaanse opperhoofd een vrouw was, een 21-jarige vrouw die Toypurnia heette. Ze werd gearresteerd en gevangen gehouden, en trouwde uiteindelijk met een Spaanse militair. Men gaf haar een christelijke naam en ze leefde als christin, totdat ze het niet langer uithield. Ik heb haar verhaal uit een geschiedenisboek, dus het was heel eenvoudig om het personage te scheppen. Maar ik voelde me sterk met haar verbonden, omdat ze zozeer een buitenstaander is. Ze houdt van haar man en haar zoon, doet werkelijk haar best, maar ze past nooit echt. Ze kan ook nooit zijn wie men wil dat ze is. Ze is een krijger. Je kunt haar niet in een keurslijf stoppen, op een hacienda zetten. Wat moet ze daar beginnen? Ze is ongetemd.


SK — Zij is heel overtuigend. Dat geldt trouwens ook voor de duels. Hoe komt het dat je zoveel van schermen afweet?

IA — (lacht)O! Dat juist heel lastig. Weet je waarom? Omdat wij in een visueel ingestelde tijd leven. In een tijd waarin er bij een schermduel vier camera’s omheen staan. En je een shot krijgt uit iedere hoek, dat in kleur op een groot scherm verschijnt. In negentiende-eeuwse romans werd een duel met woorden beschreven en waren mensen het gewend om de woorden te lezen en zich er zelf het beeld bij voor te stellen. Maar dat kunnen ze tegenwoordig niet meer. Het was ook lastig omdat ik me de hele schermterminologie eigen moest maken. En toen ik de termen eenmaal kende, realiseerde ik me dat ik ze niet kon gebruiken omdat, afgezien van de beoefenaars van het schermen, niemand ze kent. Ik moest elke beweging naspelen om hem te kunnen beschrijven, maar toen werden die beschrijvingen te lang. Ik heb zelfs een boek aangeschaft over de choreografie van het schermen, zoals ze dat in films gebruiken – je kunt over ieder onderwerp een boek krijgen – maar dat boek was in het Engels en ik schrijf in het Spaans. Dus ging ik de stukken waarin ik geïnteresseerd was vertalen, maar het werd allemaal te ingewikkeld. En bovendien was de choreografie bedoeld voor de beelden op het scherm, en daar kun je in een boek niet mee uit de voeten. De tekst moet wel de schijn van echtheid wekken. Het was een aardige uitdaging.


SK — Zorro is een zoektocht, een reis naar de volwassenheid, naar het ‘Zorro-schap’. Je hebt zelfs gezegd dat dat je uitgangspunt was: hoe is Diego Zorro geworden? Het is een cyclische reis, want hij keert terug naar de plaats waar hij is begonnen. Denk je dat je altijd naar huis terug moet keren om volwassen te worden, om volwassenheid te bereiken?

IA — Volgens Joseph Campbell wel. Het is de reis die de held volbrengt. Maar ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Ik denk dat de held op zijn reis alles wat veilig is achter zich laat en een onbekende wereld opzoekt, en een reeks moeilijkheden overwint. Je krijgt onderweg wel hulp, en je komt slechteriken tegen, en dan slaag je er na een hoop uitdagingen en ontberingen in om wat het ook maar is te bereiken, en dan moet je ermee naar huis zien te komen. En waar je dan eigenlijk mee thuiskomt is de kennis, de wijsheid. En het zelfvertrouwen dat je het kunt. Maar de fysieke terugkeer naar huis, die is misschien niet nodig. Misschien gaat het er vooral om dat je terugkeert naar jezelf.


SK — Want sommige reizen gaan alsmaar door…

IA — Ja, zonder dat je terugkeert naar de fysieke plek waar je vandaan komt. Zo ben ik nooit meer in Chili gaan wonen, maar ik heb wel degelijk het gevoel dat mijn leven een reis is geweest. En die reis had altijd wel betrekking op het land dat ik achter me heb gelaten, en ik blijf er ook over schrijven, maar ik woon in de Verenigde Staten, waar ik vermoedelijk zal blijven en zal doodgaan, omdat mijn kinderen, mijn kleinkinderen, mijn hond en mijn man daar allemaal zitten. Ik ben dus nog wel verbonden met mijn wortels, maar mijn reis heeft me er steeds verder van weggevoerd.


SK — Ben jíj volwassen?

IA — Volgens mij ben ik een oude vrouw. Ik ben tweeënzestig en heb een lang leven gehad. Vele levens tegelijk. Daar staat tegenover dat toen ik bezig was met het schrijven van Zorro, ik me een jongen van twintig voelde. Zodat ik hem kon zijn, en ervan kon genieten in het lijf te zitten van een jonge, sportieve, charmante jongen met grote oren. (lacht) Het was heerlijk!


SK — Hoe lang duurt zo’n gevoel?

IA — Het duurt het hele boek. En nu ben ik met een ander boek bezig, waarin een vrouwelijke hoofdpersoon voorkomt die een historische figuur is. En ik ben – voorlopig – haar, ik ben haar en ook dat is een fantastisch gevoel, omdat ik ditmaal geen twintig ben maar zevenendertig, en zo doe ik toch dingen die ik naders nooit zou kunnen doen.


SK — Wat doe je dan?

IA — Ik vecht mee in een oorlog en sticht een land. Het is fantastisch.


SK — Neem je het personage ook mee buiten je werkkamer?

IA — Doorlopend. Ik leef met die persoon, ik bén die persoon. Mijn man zegt dat ik alleraardigst ben als ik bezig ben met schrijven, omdat ik er dan niet ben. (lacht)


SK — (lacht) Ik weet niet precies hoe ik dat moet opvatten…

IA — Ik breng tien uur per dag door in een tuinhuisje achterin onze tuin, van alles en iedereen afgezonderd. Om zeven uur komt Willy me roepen en zegt hij dat het eten klaar is. Ik weet niet wat we gaan eten. Soms kom ik met helemaal glazige ogen binnen en weet ik de namen van mijn kleinkinderen niet eens meer… het is een heel ander leven. ’s Nachts droom ik en soms word ik midden in de nacht wakker doordat ik me iets te binnen is geschoten wat ik verkeerd heb gedaan, of een nieuw idee, en dan ren ik echt terug naar mijn tuinhuisje, in mijn nachtpon, omdat ik het gelijk op papier moet zetten. Mijn hele lijf wordt zozeer het personage dat ik weet dat ik, wanneer ik bezig ben met schrijven, en alleen wanneer bezig ben met schrijven, droom over baby’s. En die baby’s zijn dan het boek. Dus wat er in de droom met de baby’s gebeurt, gebeurt ook met het boek, zonder dat ik het gemerkt heb. De baby spreekt dan bijvoorbeeld met de stem van een oude man. En dan word ik wakker en vertel de droom aan Willy om hem niet te vergeten. Ik maak hem wakker: ‘Willy! Willy!’ En de volgende dag is het dan: ‘Waar heb ik van gedroomd, Willy?’ ‘Je hebt gedroomd dat de baby sprak met de stem van een oude man.’ ‘Ah!’ En dan ga ik weer naar mijn werkhok en weet dat er iets mis is met de stem, iets wat ik nog niet heb gemerkt. Iets onbewusts, een alarm dat afgaat, en dat gebeurt dan via een droom. Ik heb geleerd daarnaar te luisteren. Als ik van een huis droom, weet ik dat het over mijn gezin gaat. Meestal droom ik dat er een huis is waarvan een van de kamers rommelig is. Dan ga ik naar binnen en ruim op. En dan is de volgende kamer een rommeltje, en de volgende. En dan weet ik dat er iets niet goed loopt binnen het gezin, dat ik dat in mijn achterhoofd heb en het niet wil toegeven, niet wil onderkennen. De droom zit me dan dwars totdat ik er wel naar moet luisteren, net als met de dromen over het boek. Ik geloof dat je al die informatie vanbinnen met je meedraagt, maar dat je het zelf niet beseft. Er is zoveel rumoer en drukte in de wereld dat je geen tijd hebt om het allemaal tot je te laten doordringen, om dingen tot je te laten doordringen die je misschien hebt opgemerkt zonder ze bewust te zien. Je hebt ze ergens gehoord of op de een of andere manier aangevoeld, maar weggewuifd omdat je iets heel dringends te doen had. En dan zijn ze weg. Maar vanbinnen heb je alle informatie nog bewaard.


SK — Iets in wat je net zei doet me aan Bernardo denken, aan zijn opmerkzaamheid en zijn stomheid, zijn vermogen om aanwezig te zijn zonder dat de mensen het merken. Het is of hij een extra zintuig heeft ontwikkeld omdat hij niet kan praten. Hij is niet het eerste stomme personage in je werk.

IA — Ik heb er een heleboel! (lacht) Als kind was ik erg stuurs. Ik sprak vaak een hele poos niet, of zei alleen het allernoodzakelijkste zoals ‘dankuwel’ of ‘alstublieft’ en meer niet.


SK — Uit boosheid?

IA — Waarschijnlijk uit boosheid, of verdriet.


SK — Of wilde je misschien gewoon alleen zijn?

IA — Mijn moeder zegt dat het meer het oefenen van mijn fantasie was dan verdriet. Maar ik was een ontheemd kind. Mijn ouders waren diplomaten en ik moest voortdurend van school veranderen. Ik was erg verlegen, moest steeds weer een nieuwe taal spreken, en voelde me nooit echt op in gemak in het gezin, in mijn lichaam, op de plek waar ik was, in de taal, in niks eigenlijk. En dus vond ik als het ware een eigen stil plekje waar ik kon lezen en verhalen kon bedenken, en dat was lange tijd mijn wereld. Ik voel me heel prettig bij stilte.

vertaling: Niek Miedema
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.