| the ledge files the ledge - nl - uk |
nieuw zoeken |
gesprekken boeken |
|
| Interview Edward P. Jones Eindelijk vonden we wat we zochten, een groot wit huis, een stapel hout die bijna zo hoog was als het huis en een neger die stonden te hakken alsof zijn leven ervan afhing. Door een voortuin vol struikgewas liepen een breed grintpad en een ronde oprijlaan naar de voorzijde van het huis, en binnen enkele minuten stond onze ambulance voor de veranda. De luitenant sprong eruit en liep de stoeptreden op. Hij klopte aan en een zwarte butler met grijs haar deed open. ‘Wilt U de baas spreken, m’neer? Jazekers, m’neer. Komt U toch binnen, m’neer.’ ‘Ik kan slechts even blijven, tenzij ik een onderkomen kan krijgen voor de nacht. Ik heb dames in de ambulance. Vraag je meester of hij zo goed zou willen zijn mij een ogenblik aan de deur te woord te staan.’ Sambo maakte een buiging, haastte zich naar achteren en weldra verscheen een oudere heer. ‘Welzeker, mijnheer, welzeker,’ onderbrak hij de luitenant middenin diens verzoek. ‘Laat de dames binnenkomen.’ Waarop hij persoonlijk hielp ons naar binnen te geleiden. Als bij toverslag verschenen uit alle hoeken en gaten huisbedienden die zich over onze valiezen, ransels, ambulance en chauffeur ontfermden. Uit: A Virginia Girl in the Civil War, 1861-1865: Being a Record of the Actual Experiences of the Wife of a Confederate Officer met: Edward P. Jones Stacey Knecht boeken: De bekende wereld [Lost in the City]
|
SK — De bekende wereld is niet je eerste boek. Dat was de verhalenbundel Lost in the City. Die ging over ‘nu’. De bekende wereld gaat over ‘toen’. Waarom heb je teruggegrepen op de negentiende eeuw? EPJ — Wel, ik was aan het bedenken wat ik nu zou gaan doen en toen herinnerde ik me iets uit mijn studietijd, namelijk een regeltje dat ik ooit ergens had gelezen, misschien was het alleen maar een voetnoot, over zwarte slavenhouders, en daar besloot ik een boek omheen te schrijven. Ik dacht dat ik wel over genoeg fantasie zou beschikken om dat voor elkaar te krijgen. SK — Ik moet bekennen dat ik stomverbaasd was om te horen dat er zwarte slavenhouders bestonden. Het was nooit bij me opgekomen dat zoiets mogelijk zou zijn. Weet je nog wat jouw eerste reactie was? EPJ — Ik was uiteraard ook verbaasd, want tot dan toe was het altijd een kwestie geweest van zwart en blank. Ik heb dit nog niet zo vaak verteld, maar toen ik nog op school zat heb ik eens een heel dun pocketboekje gelezen over een Amerikaanse jood die zichzelf als het ware kwijt was geraakt. Ik kan me de bijzonderheden niet meer herinneren. Misschien was hij zijn identiteit kwijtgeraakt of zoiets, maar hij was in elk geval lid geworden van de Amerikaanse nazipartij. Wat mij zo trof was dat die man zich aansloot bij mensen die hem, als ze hadden geweten wie hij was, zouden hebben vermoord. En dat volgens hun overtuiging al zijn familie en kennissen ook dood moesten. Ik herinner me de precieze omstandigheden niet meer, ik weet niet eens meer hoe het met hem is afgelopen, maar het idee dat hij zich gewoon bij hen had aangesloten, maakte diepe indruk op me. Ik zou dat boek wel weer eens willen vinden, maar ik weet de titel niet eens meer. Ik had het boek in elk geval in mijn achterhoofd toen ik bezig was met het schrijven van De bekende wereld. SK — Wat ik me tijdens het lezen van de roman regelmatig afvroeg was: hoe ‘vrij’ was een ‘vrije slaaf’? EPJ — Dat weet ik niet precies. Ik heb voor dit boek weinig research gedaan. De enige kennis die ik had, was wat ik al wist voordat het idee om het boek te schrijven bij me opkwam. En ik had uiteraard mijn eigen veronderstellingen. Toen ik in 1992 besloot dit boek te gaan schrijven, had ik ongeveer veertig boeken liggen die ik wilde doornemen. Allemaal achtergrondmateriaal. Van die hele stapel heb ik uiteindelijk misschien veertig bladzijden gelezen. Iets wat ik me uit die veertig bladzijden herinner, en dat heb ik ook in het boek verwerkt, was dat er in 1807 in Virginia een wet was waarin stond dat je, als je vrijkwam, de staat moet verlaten. Ik ga er vanuit dat als er in die samenleving zo over werd gedacht, het er niet best voorstond. Het was vast geen vrije samenleving voor mensen die zogenaamd vrij waren. SK — En als ze eenmaal vrij waren, leken ze ook geen bescherming te genieten. EPJ — Nee. Zoals gezegd was dit niet iets waar ik over gelezen heb, maar ik ga ervan uit dat als je alleen maar een stukje papier hebt om te bewijzen dat je vrij man bent en geen slaaf… ik wil maar zeggen, een papiertje is, nou ja… Sinds dit boek is verschenen zijn er vijf nieuwe verhalen van me gepubliceerd. Vier in de New Yorker en een in Grant Street, dat niet meer bestaat. Het verhaal in Grant Street gaat over een jongetje dat een briefje van vijf dollar van zijn oma heeft gekregen. Hij vertrouwt het niet, want hij heeft in zijn leven alleen nog maar muntgeld gezien. Het kan zo wegwaaien, denkt hij, of verbranden, of scheuren. Dat geldt ook voor een manumissiebrief: wat stelt die voor? Het is niet meer dan een papiertje. SK — Tenzij mensen het respecteren. EPJ — Ja. tenzij de maatschappij het respecteert. SK — En in die tijd kon iemand die onderweg werd overvallen en zijn papieren had moeten afgeven niet even zijn mobieltje pakken en de politie bellen. Het kon allemaal volkomen ongestraft gebeuren. En geen haan die ernaar kraaide. EPJ — Ja. Je kon iemand gewoon oppakken, en als je blank was kon je hem ergens anders mee naartoe nemen en zeggen dat hij of zij een slaaf van je was, en dan was jouw woord wet, vanwege wie je was. De zwarte had niets in te brengen. SK — Wat had een blanke eraan om zijn slaven in vrijheid te stellen? EPJ — Dat weet ik niet. Dat heb ik nooit uitgezocht. Het had allerlei voordelen om niet teveel research te plegen. Als ik die veertig boeken allemaal had gelezen, zou ik dit boek misschien nooit hebben geschreven. Mijn hoofd zou tjokvol hebben gezeten en ik zou bergen aantekeningen hebben gehad. Dat kan je verbeelding ook belemmeren. SK — Dus je hebt het meeste zelf bedacht? De plek, de mensen, de officiële documenten en pamfletten, en de hedendaagse deskundigen die je aanhaalt? Er staan zelfs gegevens uit een negentiende-eeuwse volkstelling in! EPJ — Allemaal verzonnen. Maar ik kan je wel vertellen hoe ik aan de namen van die deskundigen, die historici, ben gekomen. Ik wilde namelijk bepaalde mensen bedanken. Ik houd niet zo van die boeken waarin twee, drie bladzijden lang alles en iedereen bedankt wordt: de keurslager, de pedicure, enz… Ik wilde het kort houden. Er waren drie mensen die ik wilde bedanken, mensen die iets te maken hadden met de jaren waarin ik bezig was het boek te schrijven. Mensen als Kim Woodford in Lynchburg in Virginia, die me toen ik mijn postdoctorale opleiding volgde heeft leren autorijden. Ik wilde hem op de een of andere manier bedanken. Ik had al een aantal ‘geschiedkundigen’ uit mijn duim gezogen. Die stonden in het boek, maar ik had er nog geen namen bij bedacht. Toen heb ik die drie mensen opgebeld en gevraagd of ze er bezwaar tegen hadden als ik hun naam opvoerde. Kim Woodford geeft Engels en Latijn in het voortgezet onderwijs en is basketbaltrainer. Hij heeft zeker nooit een boek over Manchester County geschreven, want Manchester County bestaat helemaal niet! En alles wat ik erover heb gemeld, alle feiten en cijfers, is verzonnen. Ik was aanvankelijk van plan al die boeken war ik het over had te gaan lezen en dan naar Kim in Lynchburg te gaan en zijn streek als décor voor de roman te gebruiken. Maar dat is er nooit van gekomen, omdat ik het maar bleef uitstellen. Uiteindelijk moest ik mijn eigen locatie bedenken. Een van de manieren waarop je zo’n plek werkelijker kunt maken voor je lezers is door een volkstelling op te voeren, en dat heb ik dus gedaan. SK — Voor je eerste boek, Lost in the City, geldt juist het tegenovergestelde. De verhalen die daarin staan zijn juist stevig verankerd op een echte plek. Er zijn talloze verwijzingen naar bestaande straten en buurten in Washington DC. Merkte je dat het bedenken van je eigen, fictieve streek je als schrijver meer vrijheid gaf? EPJ — Ja, al was ik me daar eerst niet van bewust. Ik dacht dat het ontzettend moeilijk zou zijn om vanuit het niets een locatie bij elkaar te verzinnen. In het begin maakte ik me daar zorgen over, maar wat ik me achteraf realiseer is dat, als je gaat voorlezen, er dan allerlei vragen komen. Ik heb nooit in Lynchburg voorgelezen, maar stel dat ik dat zou doen, en dat er dan iemand uit het gehoor opstaat en zegt: ‘Meneer Jones, ik moet u erop wijzen dat u op bladzijde 217 zus en zo zegt over iets, maar dat dit niet klopt. Ik ken deze streek, ik ben hier geboren en getogen, en heb me verdiept in de lokale geschiedenis en wat u zegt klopt domweg niet.’ Wel, niemand kan zal zoiets ooit over Manchester County kunnen zeggen. Enfin, we hadden het over namen. Namen zijn niet mijn sterkste kant. Ik houd er niet van om er lang over na te denken, omdat ik gewoon door wil met het boek. Mijn personages zijn meestal allang met van alles bezig voordat ik een naam voor ze heb. Als er een naam bij me opkomt waar ik mee kan leven, dan neem ik die gewoon. Als je weleens negentiende-eeuwse romans hebt gelezen, dan weet je dat ze namen hadden als Zeus, Patience of Caledonia, maar het kan ook heel willekeurig zijn. In De bekende wereld had ik bijvoorbeeld aanvankelijk twee hoofdfiguren, Augustus en Adolphus. Mijn redacteur was bang het verwarrend zou kunnen zijn voor de lezer als twee belangrijke personages op elkaar lijkende namen hadden. Dus toen heb ik gezegd dat ik Augustus de beste van de twee vond, en heb ik Adolphus in Moses veranderd. Waarom weet ik niet meer. Mijn moeder zei altijd: ‘Alles gebeurt met een bedoeling. Nu kon ik nu mooi dat liedje erin verwerken dat gaat van ‘Come on outta there, Mr. Moses man. Come on out and lead us to the Promise Land…’, waarbij het wrange natuurlijk is dat hij in de verste verte geen Mozes is. SK — Hij is eerder een omgekeerde Mozes, die wel de leiding heeft over al die mensen, maar op een heel negatieve manier. EPJ — Ja. Een van de verhalen in Lost in the City heet ‘De duivenmelkster’. Ik probeerde een naam te bedenken voor dat meisje, dat heel sterk was, en kwam op ‘Betsy Ann’, de naam van een jeugdvriendinnetje van me. Zij stotterde, was zo mager als een lat en werd door iedereen gepest. Het leek me een goed idee om die naam op een sterke meid te plakken, omdat het mooi zou zijn geweest als Betsy Ann zo had kunnen zijn. SK — De vrouwelijke personages in De bekende wereld zijn doorgaans heel sterk en doortastend. EPJ — Zo komen ze op papier, ja, zo zie ik ze altijd. Mijn moeder heeft het zwaar gehad, maar was sterk. Dus wil je mensen creëren die zij had kunnen zijn. Mijn moeder heeft de meeste invloed op mijn leven gehad, ook al kon ze niet lezen of schrijven. Ze heeft alles aangepakt wat ze kon om te zorgen dat haar kinderen hun school konden afmaken. Ze heeft borden gewassen, hotelkamers schoon gemaakt. Dat is belangrijk voor mij geweest. SK — Tijdens het lezen van dit boek vergat ik vaak wie zwart was en wie blank. Hetzelfde overkwam me een paar maanden geleden bij een boek van Ivan Vladislavic, een Zuid-Afrikaanse schrijver. Ik had duidelijk in de (geheel onterechte) veronderstelling verkeerd dat in een boek dat zich afspeelde in Zuid-Afrika, en in een boek van een zwarte schrijver over slaven en slavernij, zwart zwart zou zijn en blank blank. Maar het was allemaal veel minder duidelijk. EPJ — Dat is interessant. Dat heeft niemand eerder tegen me gezegd. Zelfs als je bedenkt dat zwarten op een bepaalde manier horen te praten… en ik er juist voor gezorgd heb dat de blanke William Robbins, die heus wel een opleiding heeft gehad, toch dingen zegt als ‘She ain’t no more dead than you or me! Now hush that ruckus.’ Of: ‘I be back later. Maybe I be back tomorrow. But I want you here doin right when I get back, doin good.’ Mijn idee was dat als je met elkaar leeft, je manier van praten invloed heeft op hoe anderen om je heen praten. De enige die niet afwijkt van haar heel keurige manier van praten is Fern Elston. Maar zelfs Fern zou, als ze zich liet gaan, denk ik… Maar dat doet ze niet. Geen moment. |
SK — Zij was een boeiend personage. En nu we het toch over huidskleur hebben: zij is heel licht. EPJ — Ze ziet er uit als een blanke vrouw en sommigen denken dan ook dat ze dat is, zonder ooit te weten dat het niet zo is. Familieleden van haar zijn hun hele leven lang voor blank doorgegaan, maar dat heeft zij bewust niet gewild. Wanneer zij voor zichzelf opkomt, staat dat voor haar dan ook los van haar huidskleur. Zij vindt: ik ben Fern, en ik zou me precies zo opstellen als ik toevallig donkerder was. Ik laat me niet koeioneren.’ Soms stellen mensen me vragen over het boek die me doen beseffen dat er nog een hoop racisme bestaat. In Virginia was er een vrouw (ik herinner me dat ze een Duits accent had) die zei: ‘Ik heb Toni Morrison gelezen…’ Ze zei dat de zwarten bij Toni Morrison praten alsof ze niet al te snugger zijn. Ze vroeg zich af waarom de zwarten bij mij zo intelligent klonken. Ook al zeiden ze ain’t en dergelijke. (lacht) SK — (lacht) Wat heb je teruggezegd? EPJ — Tja, als mensen iets verbijsterends zeggen ben je soms even met stomheid geslagen. Je weet niet wat je terug moet zeggen. Stel je voor, zwarten die praten alsof ze intelligent zijn! Daarom heb ik Jebediah Dickinson, een blanke, de Engelse taal ook op alle mogelijke manieren laten maltraiteren. Uiteindelijk was er vermoedelijk maar één persoon bij die kon beoordelen of iets correct of incorrect Engels was en zij wist van één bepaald woord niet hoe ze het moest spellen. Jebediah Dickinson zegt tegen haar: ‘D’r zit maar één s in manumissie. Behalve as je ’t in de verleden tijd gebruikt.’ (lacht) Ik las ooit voor in Chattanooga en daar was een man bij, in een rolstoel, die het boek niet gelezen had. Ik las een bepaald stuk voor over Jebediah Dickinson die altijd voor zichzelf opkwam, en toen vroeg hij of ik die man geen twintigste-eeuwse gevoelens had aangemeten. Alsof geen enkele zwarte man of vrouw vóór de twintigste eeuw, voor de tijd van de Zwarte Panters, ooit voor zichzelf was opgekomen. En iemand anders zei een keer hetzelfde over de vrouwen van toen, dat die bij mij zo sterk waren. Ze zei dat dat niet klopte. Waarop ik zei: ‘Nou ja, ik heb Fern Elston zich toch ook niet kandidaat laten stellen voor de senaat?’ Ik bedoel, ik wist echt wel wat wel en wat niet kon. Ze loopt heus niet overal openlijk te protesteren, maar ze is wel gewoon baas op eigen erf en daarmee basta. Ik heb er dan wel geen studie van gemaakt, maar ik geloof domweg niet dat er destijds niet zulke vrouwen rondliepen. Je hoort toch dingen? Je weet toch dingen? Natuurlijk waren er toen mensen die voor zichzelf opkwamen. SK — Kom je op je reizen en bij het voorlezen vaak van dit soort ideeën tegen? EPJ — Meestal niet. Daarom verrast het me ook altijd zo. Die ene man dacht dat alle zwarten zich in die tijd gewoon onderdanig gedroegen tegenover iedereen. Ik heb juist de hele tijd geprobeerd te vermijden dat iemand iets zou doen of zeggen wat twintigste-eeuws zou overkomen. SK — Centraal in de roman staat de geschiedenis van Henry Townsend, die na vele jaren door zijn vader Augustus uit de slavernij is vrijgekocht. Eerst had Augustus zichzelf en zijn vrouw moeten vrijkopen. Maar dan wordt Henry zelf slavenhouder, wat voor zijn ouders een geweldige schok is. Zijn vader zegt: ‘Je had me niet meer pijn kunnen doen als je mijn armen en benen had afgehakt,’ waarop Henry antwoordt: ‘Papa, ik heb niks gedaan wat niet mijn volste recht was. Ik heb niks gedaan wat een blanke niet zou doen.’ In en door dit centrale, enorm dramatische verhaal zijn vele andere verhalen verweven. Het boek wemelt van de stemmen. Achterin is zelfs een hele dramatis personae opgenomen. EPJ — Ja, die heeft de uitgever er bij de paperbackeditie aan toegevoegd. Het leek hem handig voor de lezer. Ik heb lezers gesproken die achterin de gebonden uitgave hun eigen lijstjes met personages hadden bijgehouden. Ze schreven de namen met potlood op, met een korte beschrijving erbij. SK — Dat heb ik gedaan met Oorlog en vrede! (lacht) Het helpt wel enigszins. Je kunt ze natuurlijk ook gewoon allemaal over je heen laten komen, al die namen, verhalen en anekdotes. Dat heb ik bij De bekende wereld gedaan, al merkte ik dat ik wel af en toe terugbladerde om te zien of ik ergens essentiële informatie gemist had. Na een tijdje wen je aan de non-lineaire stijl, het feit dat een verhaal uit het niets kan opduiken. Vaak introduceer je een nieuw personage en volg je zijn of haar verhaal tot aan het einde – een literair zijpad – en dan laat je die draad vervolgens hangen en keert terug naar het hoofdverhaal. EPJ — Dat heeft wel eens vaker iemand tegen me gezegd, maar ik begreep niet precies wat er bedoeld werd. Ik had het allemaal in mijn hoofd zitten en ik ben me niet echt bewust van de manier waarop ik dingen vertel. Kun je een voorbeeld geven? SK — Er zijn er talloze. Sommige beslaan vele bladzijden, zoals het verhaal van Rita bijvoorbeeld, en sommige duren maar een alinea. EPJ — En dan komen ze niet meer terug? SK — Niet altijd. Meestal verdwijnen ze in het grotere geheel. EPJ — Gisteren vroeg iemand me: ‘Waarom hebt u ons niet verteld hoe het met Rita is afgelopen? Het had toch duidelijk moeten zijn dat ik dat onmogelijk kon doen omdat Rita naar New York is gegaan. En mijn verhaal speelde zich af in Manchester County. SK — (lacht) Maar het had toch best gekund? Jij bepaalt toch wat er in het boek komt? EPJ — Niet echt, vanwege de manier waarop je het hebt opgezet, weet je. Je kunt doen wat je wilt, maar wel binnen de regels die je voor jezelf hebt vastgelegd. SK — Wat waren die regels bij jou? EPJ — Dat het zich allemaal in Manchester County zou afspelen, om maar iets te noemen. Wat betreft de mensen waar Rita uiteindelijk bij belandt: de reden dat ik haar zo ver weg heb laten gaan, was dat ik ook over een aantal immigranten schreef en dat hun verhaallijnen samenkwamen. Hetzelfde gold voor die mensen die uit Nederland kwamen en de Ierse vrouw, de Fransman en de Canadees. Hen kon ik buiten het gebied laten treden dat ik voor mezelf had afgebakend, maar bij alle andere personages moest het over Manchester County gaan. Ik denk dat ik je het beste kan vertellen hoe het met Rita is afgelopen door je te vertellen bij wat voor soort mensen ze terecht is gekomen. En dat is de Ierse vrouw, die een goede inborst had en die melk wilde hebben voor haar kinderen, en zelfs die wilde God haar niet geven. Zij is naar Amerika gekomen en vindt Amerika verschrikkelijk en ik kan me niet voorstellen dat zij iemand halfdood aantreft in een kartonnen doos en haar dan vervolgens terugstuurt naar het zuiden. Ik kan me ook niet voorstellen dat haar zoontje, met wie zij een heel hechte band heeft, zou vinden dat ze dat zou moeten doen. Daar moet je het mee doen. Ga ik je vertellen wat er gebeurde nadat Minerva naar Philadelphia ging? Ja en nee. Door het hele boek heen trek ik gordijnen dicht. SK — Er komt een Canadees genaamd Anderson Frazier in het boek voor, die het land rondreist om gegevens te verzamelen voor een reeks korte traktaten die hij bezig is te schrijven over ‘Amerika en haar bevolking’ en met name over wat hij hun ‘eigenaardigheden’ noemt. Een van die traktaten gaat over ‘vrije negers die andere negers als slaaf hebben gehouden’, en een van de degenen die hij op zijn reis door Manchester County ondervraagt is Fern Elston. Ze zitten bij haar voor de deur op de veranda te praten als hij haar totaal onverwacht vraagt: ‘Hebt u ooit naar huis terugverlangd mevrouw Elston?’ Zeg het maar als ik het mis heb, maar ik had het gevoel dat dat zinnetje belangrijk was. Het leek me bijna symbolisch voor iets. EPJ — Nee, niet echt. Ik geloof dat ik maar één keer werkelijk naar huis heb terugverlangd en dat was tijdens mijn eerste paar dagen op de universiteit. Nee, dat was iets van Anderson zelf. Ik denk dat ik probeerde om… je wilt… je zit een beetje te roeren in alles wat je over het leven weet in een poging iedereen zo levensecht mogelijk te maken. Anderson was niet zo ver van huis als de mensen uit Frankrijk, Nederland of Scandinavië, maar voor hem moet Canada toch een eind weg zijn geweest. Ik zocht naar een manier om de lezer te laten zien wie hij was en hij zocht een manier om een band te krijgen met Fern. En hij zal zijn vrouw Esther gemist hebben. SK — Staan de personages in je korte verhalen in Lost in the City op enigerlei wijze in verband met de periode waarover je in De bekende wereld schrijft? Komen zij uit die geschiedenis voort? EPJ — Niet in letterlijke zin, maar ik hoop wel dat ik in de verhalen waaraan ik nu bezig ben – het boek verschijnt volgend jaar – op de een of andere manier een link kan leggen tussen de personages daarin en de mensen die erin zijn geslaagd Washington te bereiken. Ik zal je een voorbeeld geven. Het eerste verhaal gaat over een pasgetrouwde vrouw van ongeveer negentien die net naar Washington in gekomen. Het is 1901, dus ongeveer vijfenvijftig jaar voor het verhaal ‘De duivenmelkster’ uit Lost in the City. Deze jonge vrouw heeft last van heimwee. Hm, misschien zit er tóch iets in dat idee van heimwee (lacht)… Hoe dan ook, het verhaal gaat over haar en haar verhouding met haar man. Zij kan niet slapen omdat ze zo hevig terugverlangt naar Virginia. Ze gaat wel gelijk met haar man naar bed, maar staat dan midden in de nacht op. Het is 1901 en je hebt buiten gaslantaarns. Ze zit buiten op de veranda en in het achtertuintje staat een appelboom, maar omdat ze die al zo vaak gezien heeft let ze er verder niet op en kijkt naar de donkere straten. En dan realiseert ze zich langzaam dat er een bundeltje in de boom hangt. Er klinkt een geluid… ze heeft gehoord dat er ’s nachts wolven op straat rondzwerven. Eerst denkt ze nog dat het bundeltje iets wolfachtigs heeft, ‘iets van een hond’ noem ik het. Dan – ze is er met een mes in de ene en een pistool in de andere hand op af gestapt – denkt ze dat het misschien jonge poesjes zijn. En dan wordt haar duidelijk dat het een baby is, en die baby is Miles, de oude kapper die later een belangrijke rol zal spelen in ‘De duivenmelkster’. Daar komen we hem voor het eerst tegen. vertaling: Niek Miedema |
|
| The Ledge Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com Dank aan: De digitale pioniers en Het Prins Bernhard Cultuurfonds Ontwerp: Maurits de Bruijn |
Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs. |
||