the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview Arthur Phillips

Na de zege op vijanden van het lot, komen er tien meisjes voor onze leider
Haastig aangesneld, en Atum-hadu’s gewaad wordt wijder en wijder
En ze dansen en ontkleden zich voor ons, hun borsten zo pront en jong
Dat Atum-hadu’s koningscobra zich kaarsrecht opricht voor de sprong.


- Kwatrijn 7, fragment C (vertaling Anneke Bok)



vertaling interview: Niek Miedema

met:
Arthur Phillips
Stacey Knecht

boeken:
De egyptoloog


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Was het je bedoeling een boek te schrijven dat zoveel mogelijk verschilde van je eerste boek, Praag?

AP — Nee, niet speciaal. Ik had gewoon een idee waar ik helemaal enthousiast van was. En na een tijdje realiseerde ik me dat het heel anders zou gaan uitpakken. En toen werd ik verscheurd door twee gedachten. Aan de ene kant: wauw, dat is geweldig! En tegelijkertijd: o nee, ik ben op een terrein terechtgekomen waar ik niks te zoeken heb. Ik kom straks in de problemen omdat ik me bezighoud met iets dat de eerste keer werkte. Maar goed, toen was het al te laat.


SK — En dat gevoel had je niet toen je aan Praag begon? Of was dat meer vertrouwd terrein?

AP — Dat niet, maar het was mijn eerste boek. En het zou natuurlijk toch nergens gepubliceerd worden, dus dan raak je enthousiast over een bepaald idee en begin je gewoon te schrijven. Wat de tweede keer opnieuw gebeurde, alleen was het zo anders dat ik dacht dat ik er misschien alleen een carrière van zou kunnen maken als ik me tot dezelfde wereld beperkte, maar zoals gezegd was het toen al te laat.


SK — Men heeft het altijd over auteurs en hun tweede boek en hoe moeilijk dat kan zijn, vooral als het eerste boek een succes was. Was je al over dit boek, De egyptoloog, aan het nadenken terwijl je aan het eerste bezig was? Was de kiem ervoor al gelegd?

AP — Een beetje. Ik was eraan begonnen voordat Praag werd gepubliceerd, zoals ik ook weer aan een nieuw boek ben begonnen voordat dit boek uitkwam. Ik had die kwestie van het ‘tweede boek’ beslist in mijn achterhoofd. Maar het blijkt dezelfde kwestie te zijn als die van de derde roman. En het zou me niet verbazen als het ook die van de achtste roman is, namelijk de angst dat je een keer zult struikelen en dat iedereen dan op je graf gaat staan dansen. ‘Zie je wel!’ Al denk ik dat als je één verhaal in je hebt, je er ook meerdere hebt.


SK — Dit boek maakte me aan het lachen, maar was tegelijkertijd ontzettend pijnlijk om te lezen. De opgang van de ene man en de neergang van de ander. Het personage Ralph Trilipush ontroerde en frustreerde me, vanwege zijn volslagen verkeerde inschatting van zijn situatie, zoals veel van de personages elke situatie verkeerd inschatten. En dan had je nog de ‘echte Egyptoloog’, Howard Carter, die alles op een rijtje lijkt te hebben. Die twee mannen heb je tegen elkaar in het strijdperk laten treden. Wat is volgens jou de reden voor Carters successen en Ralphs gebrek aan succes?

AP — Carter wist waar hij mee bezig was! (lacht) Carter was trouwens ook een mislukkeling, totdat hij succes kreeg. De reden dat ik ze tegen elkaar in het strijdperk wilde laten treden had meer te maken met de gevoelens die Trilipush over Carter heeft, het gevoel dat die ander overal een oplossing voor weet, en dat nog moeiteloos ook, dat die ander weet hoe hij de grote leegte moet invullen, en toevallig in dit geval een Egyptologische expeditie leidt. Toen bleek dat Carter inderdaad wist hoe hij dat moest aanpakken, en Trilipush wist niet precies tot in alle details hoe hij het moest aanpakken. Maar dat gevoel van onzekerheid in de nabijheid van iemand die alle facetten van datgene waar jij zo hartstochtelijk naar streeft lijkt te beheersen, dat is wat ik wilde overbrengen. In dit specifieke geval had Carter jarenlange praktijkervaring dankzij allerlei expedities, waarbij hij onderaan was begonnen en zich geleidelijk had opgewerkt. Zodoende is hij volledig vakbekwaam voor wat hij onderneemt, en dat geldt wellicht wat minder voor Trilipush.


SK — Die dénkt van wel!

AP — Hij heeft gedaan wat hij kon met beperkte middelen. Beperkte middelen en beperkt beschikbare middelen. Maar in het laatste geval heeft Carter toch ook zes jaar naar koning Toet gezocht en stond hij op het punt het op te geven, wat op zich al een prachtig verhaal is. Hij was bereid ermee op te houden, maar wist Lord Carnarvon te bewegen nog een jaar opgravingen te financieren. Het had nog maar een paar dagen moeten duren of hij had gezegd: ‘We kappen ermee’, en toen vonden ze die eerste keldertrap. Dus na zes jaar in cirkeltjes ronddraaien, op basis van toch eigenlijk behoorlijk vage aanwijzingen… De aanwijzingen waarover Trilipush beschikte waren in wezen niet vager dan die van Carter. Men zegt dat Carter drie redenen had om te geloven dat hij de graftombe van Toet kon vinden: bronnen waaruit bleek dat Toet met zekerheid bestaan had, het feit dat er nog nooit relicten van Toet op de markt waren gekomen, wat inhield dat zijn graf nog nooit was gevonden of geplunderd, en twee kleine dingen die aan Toet hadden toebehoord – ik meen een lijkwade en een beker – beide door Carter gevonden in de Koningsvallei, hetgeen betekende dat de tombe daar ergens in de buurt moest zijn.
Dat was alles waarover hij beschikte. Ralph Trilipush beschikt over een minder definitieve historische bron dat Atum-hadu heeft bestaan, maar hij heeft meer geschriften, allemaal uit dezelfde landstreek, en een redelijk vermoeden dat de graftombe zich ergens in de buurt bevindt. Dus heeft hij nagenoeg net zo’n goede insteek als Carter, en bovendien is Carter er al zes jaar mee bezig. Het is helemaal niet denkbeeldig dat Trilipush op het juiste spoor zat.


SK — Niet helemaal denkbeeldig…

AP — Inderdaad. En met dezelfde argumenten: er zijn geen relicten op de markt gekomen, dus áls er een graftombe was, dan was die niet geplunderd. Het was het proberen waard.


SK — Maar Trilipush had haast.

AP — Precies. Vreselijke haast.


SK — De ‘paradox van de graftombe’: heb jij dat bedacht?

AP — Ik heb die term inderdaad gebruikt, maar ik heb hem aan de memoires van Carter ontleend. Het is een historisch feit: de oude koningen moesten ongeschonden begraven worden, met hun kostbaarheden, en ongeschonden begraven blijven, met hun kostbaarheden, en niettemin aan iedereen laten weten wáár ze ongeschonden begraven lagen, met hun kostbaarheden. Als de mensen niet wisten waar ze begraven waren, zou het niet werken.


SK — Voor altijd?

AP — Tot in lengte van dagen. Dus moest je iedereen laten weten waar het goud begraven was en er tegelijkertijd voor zorgen dat niemand eraan kwam. Voor altijd. Wat een geweldig lastige opgave is. Het vereist een hoop vertrouwen in je levende weldoeners, die dat goud best zouden kunnen gebruiken. Dus is het een grote paradox. En het leek me ook een zekere relevantie te hebben voor mensen die een onbezoedelde neerslag van hun leven willen nalaten, zonder dubieuze, onopgeloste kwesties, terwijl ze natuurlijk juist iedereen uitdagen die te vinden. Elke biografie of autobiografische herinnering is in wezen een kwestie van voortdurende afweging, een ‘paradox van de graftombe’.


SK — Het is eigenlijk triest dat men die arme mensen opgraaft, terwijl ze juist zo hun best hebben gedaan om niet gevonden te worden. Wat geloofden de oude Egyptenaren dat er zou gebeuren met iemand die ongeschonden begraven was, inclusief kostbaarheden, als hij werd opgegraven? Zou hij dan alle kans op het eeuwige leven verspelen?

AP — Ik ben niet echt een deskundige op het gebied van de egyptologie, maar voorzover ik heb begrepen mag het lichaam niet worden gestoord voordat het in het hiernamaals arriveert. Vergeet niet dat de tombe in wezen een reizende capsule is, de tombe is onderweg. Ik weet niet precies hoe dat werd geacht te gebeuren of hoe lang het duurde, maar waar het om gaat is dat de tombe je ergens heen voerde. Als iemand, voordat je daar bent aangekomen, je graf openbreekt en je lichaam ontmantelt, dan kom je er dus niet!


SK — Arthur, ik heb grote belangstelling voor het personage Margaret, de vrouw van wie Ralph houdt. Hij idealiseert haar enorm, zoals in zijn aard ligt. In de passage die je zojuist hebt voorgelezen voor The Ledge, een brief van Ralph aan Margaret, zegt Ralph dat hij, mocht hij er het leven bij laten, een ‘briljante en moedige redacteur nodig zal hebben, die stoffige speculaties kan wegblazen en onomwonden de kille, lavagrijze, albasten waarheid aan het licht kan brengen.’ Hij vertrouwt haar deze taak toe, en vertrouwt haar daarmee in feite de zorg toe voor zijn onsterfelijkheid. Margaret is daar echter niet bepaald voor toegerust. Daar staat tegenover dat ze op mij, ondanks haar opiumverslaving en wat dies meer zij, overkomt als het meest nuchtere en heldere personage in het boek. Waar komt zij vandaan? Hoe is ze ontstaan?

AP — Tja, ik stelde me haar voor als iemand die, ondanks haar verslaving, probeert dingen op het spoor te krijgen en naar een iets betere toekomst te reiken. Zij beschouwt de persoon van Ralph als iemand die haar, zoals men nu zou zeggen, ‘bij de les houdt.’ Ze is veel minder geneigd op stap te gaan als hij er is, en dat beseft ze. Ze zegt op zeker moment: ‘Jij bent het beste middel tegen mijn slapeloosheid.’ En uiteraard is zij Hoedster van de Papieren!


SK — Herinner je je nog hoe je op haar gekomen bent?

AP — Niet echt. Personages komen bij stukjes en beetjes, als stukjes klei… Ik weet nog wel dat toen ik zat te lezen in de dagboeken van Géza Csáth…


SK — Wíe?

AP — Ik bedoel maar. (beiden lachen) Csáth was zo’n opzienbarende duizendpoot van rond de eeuwwisseling. Hij was neuroloog, gynaecoloog, violist, muziekcriticus, toneelschrijver en auteur van korte verhalen. Zijn verhalen zijn een jaar of vijfentwintig geleden in het Engels vertaald. Het beroemdste heet ‘Opium’. Enfin, ik zat in zijn korte verhalen en dagboeken te lezen en omdat ik toen de personages aan het bedenken was, besloot ik dat Margaret zijn verhalen ook gelezen had. Ferrell herinnert zich dat ze high werd en zei: ‘Ik heb elke nacht een miljoen jaar afgelegd’… Dat komt uit Géza Csáth. Ik weet niet precies hoe ze aan zijn boeken is gekomen, misschien via een eerdere Engelse vertaling… of misschien spreekt ze wel Hongaars.


SK — Als ik deze roman zou moeten typeren, zou ik zeggen dat het een tragikomedie was over communicatiestoornissen. De personages zijn allemaal danig in de war, zien dingen die er niet zijn, schatten vrijwel alles verkeerd in, en dan al die brieven die elkaar kruisen… Alles wat maar fout kan gaan, gaat fout. Denk je dat een dergelijk verhaal zich ook vandaag de dag zou kunnen afspelen?

AP — Dat was inderdaad een van de dingen die ik voor ogen had: elkaar kruisende brieven, verkeerde inschattingen, en tragische misverstanden. Er is een Engelse toneelschrijver geweest die daar zijn specialiteit van gemaakt heeft. (grijnst) Ja, het kan zomaar. Er raken toch voortdurend allerlei berichten zoek? Wij hebben zo’n vertrouwen in onze communicatiesystemen dat als er een e-mail of voicemail wegraakt, je je eerst een weeklang afvraagt waarom je nog geen antwoord hebt gekregen. Wij hebben er een overdreven vertrouwen in dat alles zonder mankeren overkomt. Het lijkt me overduidelijk dat er dagelijks allerlei sociale misverstanden en bijna-tragedies ontstaan vanwege e-mail en voicemail. Omdat die een uitstraling van onfeilbaarheid hebben. Misschien werkte Shakespeare zelfs wel beter, in zijn tijd, omdat men destijds geloofde dat een boodschap zou aankomen als je hem door een koerier liet bezorgen, wat in onze ogen nogal dom is. Want die koerier zou vast een kroeg in duiken en de boodschap verliezen. En hij zou uiteraard worden overvallen en afgemaakt door… Sioux! (lacht) Het kan zijn dat alle communicatiesystemen altijd het vertrouwen hebben genoten van de gebruikers.


SK — Anders zouden ze waarschijnlijk ook helemaal niet werken.

AP — Ach, misschien hoop je er gewoon het beste van. Als je aan communicatie in de Middeleeuwen denkt, of in de Renaissance, of rooksignalen, of postkoetsen, of telegrammen, dan is het een wonder dat er überhaupt ooit iets aankwam. Maar iedereen die er gebruik van maakte dacht blijkbaar: vooruit met de geit, ik stuur een rooksignaal om te zeggen dat ze zich geen zorgen hoeven te maken!


SK — De mensen moeten veel vertrouwen hebben gehad in allerlei zaken die voor ons vanzelfsprekend zijn. Zoals de geneeskunde bijvoorbeeld.

AP — Natuurlijk. Ik heb een vriendin in Los Angeles die onvoorstelbare problemen had met de posterijen. Haar postbode gooide alle post weg! Hij gooide het domweg weg. Pakjes voor haar werden niet bezorgd en bedankbriefjes voor geboortecadeaus die ze had gestuurd kwamen niet aan. (‘Ik dacht dat die mensen vrienden van me waren. Maar dat zelfgebreide truitje dat ik ze voor hun kind heb gestuurd laat ze blijkbaar koud!’) Ik weet niet waarom die vent dat deed, maar haar leven werd er ernstig door ontregeld. Ze diende een klacht in, maar daar werd niks mee gedaan. Een ongelooflijk sociaal trauma, door één enkele boze postbode. En moeten we dan verbaasd zijn dat er boze postbodes rondlopen? Natúúrlijk lopen er boze postbodes rond. Zegt het voort!
Dus weet ik wel zeker dat geliefden die het lot niet gunstig gezind is, ook vandaag de dag moeiteloos ten prooi zullen vallen aan de ene na de andere ongunstige samenloop van omstandigheden. Daar zit trouwens een geweldig verhaal in…


SK — Naast alle communicatiestoornissen tussen de personages bestaat er ook communicatiestoornis door de jaren heen. Het gevoel dat de geschiedenis als zodanig onbetrouwbaar is. Wat let iemand immers om documenten te wijzigen en aan hun eigen behoeften aan te passen? Geloof jij dat er zoiets bestaat als een historische waarheid?

AP — O, daar ben ik zeker van. Ik behoor niet tot de mensen die denken dat niets kan worden vastgesteld. Maar je kunt je met de geschiedenis wel vergissen en dat gebeurt vermoedelijk veel vaker dan mensen beseffen. Het is net zoiets als waar we het net over hadden. Ik vermoed dat ons vertrouwen in historische feiten meestal onterecht is. Ik geloof beslist dat er een historische waarheid bestaat, dat het mogelijk is de historische toedracht ergens van op te helderen, zoals je ook historische schuld kunt toekennen. Maar ik denk niet dat men helemaal precies weet wat er zelfs maar twee jaar geleden in de machtscentra heeft plaatsgevonden. Ik bedoel dit niet politiek, maar zuiver historisch. Ik denk dat het redelijk is te veronderstellen dat de oorzaken van de oorlog in Irak nooit bekend zullen worden, omdat de mensen die de beslissingen daarover namen zich baseerden op informatie die, ook als hij onjuist was, in hun ogen misschien wel betrouwbaar was. Of ze wisten dat hij onjuist was, maar besloten te doen alsof hij betrouwbaar was. En ze hebben historische documenten nagelaten waarin ze zeggen: dit zijn de ware gegevens, die we vandaag voor het eerst onder ogen hebben gekregen! Wat misleiding kan zijn geweest. Ik denk niet dat iemand het ooit zal weten. Ik denk niet dat er een manier is om erachter te komen. Teveel mensen geloven onwaarheden of hebben gelogen. Of geloven in fouten, of hebben moedwillig fouten gemaakt, of hebben opzettelijk gedaan of ze geloofden in moedwillig gemaakte fouten. Je komt er niet meer achter. Het is onbegonnen werk. En dan heb je het nog maar over twee jaar geleden. Waardoor is de Eerste Wereldoorlog nou eigenlijk begonnen? Dat is me nooit duidelijk geworden. Er bestaan tegenwoordig herziene versies van de geschiedschrijving waarin staat dat het dít was en toch niet dát… Ook daar komen we volgens mij nooit meer uit. Het is een kwestie van opinies. En hetzelfde gebeurt natuurlijk ook op heel kleine intermenselijke schaal. Waarom is een huwelijk bijvoorbeeld mislukt? Ik denk niet dat iemand dat weet. Je kunt allerlei goede redenen bedenken, maar niemand weet het precies. Er zou zoiets moeten bestaan als onfeilbare geschiedschrijving.


SK — (lacht) Er staan gedichten in deze roman. Wist je van jezelf dat je een dichter was, Arthur?

AP — (lacht) Een dichter zou ik mezelf niet durven noemen, maar ik heb wel aangetoond dat ik oud Egyptische, slecht in het Engels vertaalde verzen kan schrijven.


SK — Waren die gebaseerd op authentieke Egyptische gedichten?

AP — De literatuur van het oude Egypte lijkt daar niet erg op. Er bestond wel poëzie, dat zeker, maar niemand heeft enig idee of het rijmde of niet, en of er sprake was van vaste ritmes, want niemand weet eigenlijk hoe het eruitzag en hoe het klonk. Het enige wat je kunt doen is de woorden vertalen. En er is oud Egyptisch proza, en er zijn verhalen en dergelijke, die in sommige gevallen wel redelijk lijken op wat Trilipush op de wanden van het koningsgraf aantreft. Er waren ook ‘adviezen’, dat waren in wezen politieke teksten vanuit de ambtenarij, bestemd voor de volgende ploeg, over hoe men de tent moest runnen. Heel praktijkgericht. En de kronieken uiteraard, die een belangrijk deel vormden van het bewerkstelligen van de onsterfelijkheid. Men moest je verhaal telkens weer vertellen. Er waren lijsten van koningen, lijsten van wie wat bestuurde, en er was droge chronologische geschiedschrijving, die tergend onvolledig was, maar waaraan we wel het merendeel van wat we over het oude Egypte weten te danken hebben.


SK — Zou je jezelf een geschiedenisfanaat willen noemen?

AP — Nou en of. Ik heb geschiedenis gestudeerd. Als klein jongetje raakte ik in de ban van de Engelse middeleeuwse geschiedenis en omdat ik nou eenmaal Arthur heet ging ik de verhalen van koning Arthur lezen, en daarna wilde ik alles weten over de koningen en dat werd een merkwaardige obsessie van me. Tegen de tijd dat ik in groep drie zat kende ik alle koningen van 832 tot 1500… De vader van Trilipush is genoemd naar de eerste koning van Engeland. En mijn kinderen heten Egbert en Ethelrede en… nee hoor, grapje.


SK — (lacht) Het eerste wat de lezer zich realiseert als hij De egyptoloog openslaat is dat hem geen gewone leeservaring te wachten staat. Voor het verhaal zelfs maar begint is er al een bladzijde 'onionskin', gevolgd door een tamelijk ongebruikelijke inhoudsopgave, een Royal Cartouche, met de naam van koning Atum-hadu in hiëroglyfen en ten slotte een reproductie van een telegrafische boodschap die vanuit Hotel de Sfinx is verstuurd, in een zorgvuldig negentiende-eeuws schoonschrift. En dan de rest van het boek: documenten, brieven, gedichten, diagrammen. Waarom koos je deze vorm voor je roman?

AP — Dat gebeurde al heel snel. Het leek me ontzettend leuk om met zijn journaal aan de gang te gaan, en er gewoon een bladzijde uit te kunnen pakken. En toen ik ontdekte hoe je Atum-hadu zou spellen in hiëroglyfen was dat veel te mooi om het lezerspubliek te onthouden. Dat was onweerstaanbaar! Ik wou dat ik het zelf had kunnen bedenken. De cartouche is getekend door een egyptoloog van het British Museum. Ik vroeg hem: ‘Hoe zeg je “Atum is geil”? en hij antwoordde: ‘Nou, dat lijkt me duidelijk: heel brood, slaaf, paleis, landkaart, geopende hand, zaadlozende penis.’ Vanzelfsprekend.


SK — Waarom een heel brood?

AP — Ik zou het bij God niet weten. Het is mij allemaal een raadsel. Voorzover ik het begrijp had je het ook op een andere manier kunnen spellen. Ik geloof dat hiëroglyfen zowel fonetisch als idiogrammatisch waren. En ook grammaticaal bepaald, zoals de uitstekende penis. Maar wanneer het een symbolisch brood was en wanneer het gewoon een brood was, weet ik ook niet. Ik begrijp het geval van de steen van Rosetta, en hoe de knappe koppen erin slaagden de hiëroglyfen te duiden en uit te leggen hoe een bepaald woord werd uitgebeeld, maar hoe ze weten hoe ze er klank aan moeten verlenen zou ik je met geen mogelijkheid kunnen zeggen.
Maar om terug te keren naar je vraag over waar het idee vandaan kwam om het allemaal in documentaire vorm te presenteren… Toen ik een maand of zes bezig was met het schrijven van dit verhaal maakte ik een heel bewuste afweging: als ik dit in de derde persoon doe, met een alwetende verteller, wat levert dat op en wat gaat ermee verloren? Als ik het helemaal in de ik-vorm doe, wat levert dat op en wat gaat daarmee verloren? Waarna ik een week of twee de mogelijkheden bleef uitproberen en er vervolgens eentje bedacht waar ik enthousiast over was, waarmee wet verloren ging, maar waarmee ik het merendeel van wat ik wilde kon bewerkstelligen. Vanaf dat moment was er vooral het plezier van het inpassen van de documenten, er een landkaart instoppen en een illustratie en een uit om te pellen, en er moest een beeld zijn van het schrijfpapier waar Ralph Trilipush zijn aantekeningen op maakt. Komt het handschrift je trouwens bekend voor? Het is van Babar het Olifantje. Ongelooflijk, hè? De eerste keer dat ik het zag, zei ik: ‘Hé, dat is Laurent de Brunhoff!’


SK — Ieder personage in het boek heeft zijn of haar eigen lettertype. Hoe besloot je wie welk kreeg?

AP — In mijn typoscript gaf ik ze steeds een lettertype naar willekeur. Toen gaf het aan de afdeling vormgeving en die legde me een aantal opties voor. Het belangrijkste criterium was: kun je dit 90 pagina’s lang velen? Ziet het er voldoende anders uit om meteen te beseffen: ja, nu gaan we over op iets anders?


SK — Maar zei je dan niet letterlijk over een bepaald lettertype: ja, dat is echt een lettertype voor Margaret. Ging het zo ver?

AP — Ja. Maar we wilden de mensen ook weer niet horendol maken als ze in het boek bezig waren. We wilden ze er alleen maar even op attenderen dat we in een nieuw document zaten. De enige andere oplossing was… heb je Dracula gelezen? Ik heb het onlangs gelezen en het blijkt uit een reeks brieven en documenten te bestaan. Ik geloof dat Dracula de enige roman in brieven is die ik ooit heb gelezen waarbij meer dan twee afzenders betrokken zijn. In mijn editie, en zo heeft Stoker het destijds vast ook gedaan, staat boven elk document: dit is een brief van die-en-die aan die-en-die, verzonden op die-en-die datum. Ik vind dat lang zo leuk niet.


SK — Ergens tegen het einde van het boek zegt Ralph: ‘We hebben allemaal nog heel wat Egyptische trekken, dat lijdt geen twijfel.’ Misschien heeft hij wel gelijk. Wat is volgens jou het hedendaagse equivalent van de mummie?

AP — Nou, ik was gisteren in het Rijksmuseum en daar heb ik de nodige mummies gezien, al die schilderijen waarop welgestelde burgers poseren met hun bezittingen. Tegenwoordig worden honkbalstadions naar grote ondernemingen genoemd, vleugels van musea naar de eigenaar van de collectie en leerstoelen aan de universiteit naar degene die ze sponsort. Noem maar op. Als je er eenmaal op gaat letten kom je het overal tegen.


SK — Denk je dat er ook een equivalent bestaat voor de minder welgestelden?

AP — Natuurlijk. Daarom zijn plakboeken zo populair. We bewaren onze papieren en foto’s voor onze kinderen en we hebben geweldige videoarchieven met alle video’s die we vanaf het moment dat ze leerden lopen van onze kinderen hebben gemaakt, plus video’s van onze bruiloften. We produceren de hele tijd zoveel relicten als we maar kunnen. In de hoop dat ze na onze dood niet onmiddellijk verbrand zullen worden. Dat is er zo pijnlijk aan. Ik heb onlangs een verhaal gelezen over vuilnismannen. Die moesten de opslagruimte leegruimen van iemand die was overleden en geen nabestaanden had. De verslaggever die het stuk moest schrijven vroeg: ‘Wat doen jullie met de foto’s?’ En de vuilnisman zei: ‘Wat denkt u dat we met de foto’s doen?’ Dat was een pijnlijk moment voor de verslaggever, die ineens dacht: Nee, hè? Mijn foto’s worden straks verbrand als ik dood ben. Natuurlijk worden ze verbrand als je dood bent, wacht had je anders gedacht? Je neemt ze toch niet mee naar het hiernamaals? Dus je hoeft niet rijk te zijn om de hardnekkige illusie te koesteren dat je leven op de een of andere manier zal worden vastgelegd en bewaard, en dat jij daarmee onsterfelijk zult worden. Romanciers zijn natuurlijk het ergste van allemaal. In de Egyptische theologie krijgen schrijvers trouwens een miljoen jaar extra.


SK — Waarom?

AP — Omdat wij belangrijk zijn! Wij hebben alles opgeschreven. Wij maakten de annalen. Wij hielden de hele cultuur in leven en bij wijze van beloning kregen we minimaal een miljoen jaar onsterfelijkheid. Die regel kunnen we ook zelf hebben opgesteld, aangezien wij de enigen waren die hem konden neerschrijven…


SK — Wat zou jíj meenemen naar het hiernamaals?

AP — Vrienden, familie, mijn boeken, cd’s… mijn hond zou zeker meegaan… enfin, alles wat je meeneemt als je naar een fraai, nieuw appartement verhuist. Je wilt je vrienden en familie in de buurt hebben, en je boeken en je hond. Ik zou ook wel een mooie keuken willen hebben. Een Viking-fornuis graag, en een diepvrieskast, lijkt je dat niet fantastisch?

- vertaling: Niek Miedema
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.