the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Interview Gerrit Krol

'Deze roman is een product van mijn fantasie. Echter, waar het verhaal in aanvaring komt met de werkelijkheid, wijkt het voor de feiten. Het Vermoeden van Riemann bestaat echt. De steden Padua en Venetië heb ik naar waarheid geschilderd. De personen daarentegen, inclusief mijzelf, bestaan niet in werkelijkheid.
Wie wel bestaan, dat zijn de doden. Ik had ze nodig om te citeren. De citaten zijn dus echt. Van sommige citaten is de bron niet te achterhalen. Waar ik niet zelf duidelijk aan het woord ben, heb ik de tekst gemarkeerd met aanhalingstekens.'
G.K.

uit: Rondo Veneziano

met:
Stacey Knecht
Gerrit Krol

boeken:
Rondo veneziano
De rokken van Joy Scheepmaker


the ledge - flash versie*

*

zoek in hele site:


SK — Ik heb hier twee boeken voor me: uw nieuwste roman, Rondo Veneziano, en uw allereerste roman uit 1962, De rokken van Joy Scheepmaker, pas heruitgegeven bij uitgeverij Conserve. Hoe was het om, na al die jaren, dit boekje weer terug te zien?
GK — Toen ik het herlas, vond ik het een heel emotioneel boek. Vanaf dit boek begin ik wat ironisch te schrijven, wat laconiek. Zo’n boek als Joy Scheepmaker schrijf ik nooit meer. Zo open. Het boek heeft drie drukken gehad en elke keer heb ik er veel wijzigingen in aangebracht. Nu weer. Ik vond het nu hoog tijd dat dit boek in de markt lag zoals ik het helemaal hebben wou. Ik vind het trouwens mooi uitgegeven. Mijn uitgever was ook heel enthousiast, hij zei steeds tegen mij: ‘Er zit een leeslintje in en het is gebonden!’ Het boekje is mij dierbaar, want het is nog steeds goed. Na veertig jaar is het nog niet gedateerd. Het is misschien zelfs beter, omdat het is zoals ik het hebben wil.




SK — Het is niet de eerste keer dat u een eigen boek herschrijft. Hoe komt dat?
GK — De drang om het te doen heb je niet helemaal in de hand. Het is me een paar keer overkomen dat als het boek klaar is ik onmiddellijk naar de uitgever ga en dan moet het ook zo snel mogelijk uitgegeven worden. Dat willen we allebei. En dan is het er en dan overkomt het mij dat zo’n boek nog niet klaar blijkt te zijn. Het is een soort amaryllis die je gekweekt hebt en die bloeit prachtig, en ineens komt er nog een knop en die bloeit net zo mooi. Die moet er ook bij. Dat was ook het geval met De weg naar Sacramento. Dat boek was in haast geschreven, beetje slordig, dat vond ik ook leuk om te doen. Maar toen het eenmaal klaar lag in de winkels gaf ik een exemplaar aan de vertaalster Ria Loohuizen en ik zei, lees het maar gauw, want het gaat veranderen. Pas tien jaar later heb ik het herschreven – nogal drastisch ook. De moord die daarin voorkomt wordt in de tweede versie helemaal niet gepleegd. Ik vond het niet geloofwaardig meer. M’n vrouw boos… ze zei: je verdoet je tijd aan dingen die al achter je liggen. Ik zie het anders. De meeste boeken die ik heb geschreven, daar kom ik niet aan. Maar bij het herschrijven van De weg naar Sacramento bijvoorbeeld heb ik het ook verantwoord in een essay dat net zo dik is als het boek zelf.


SK — Werd u gevraagd om het herschrijven te verantwoorden?
GK — Nee, hoor, ik vond het zelf interessant. Waarom had ik het gedaan? Dat wilde ik uitzoeken. Er zijn natuurlijk weinigen die het hebben gelezen. Maar ik ben in het reine met het boek. Mijn nieuwe roman, Rondo Veneziano, is geen herschrijving. Het staat op zichzelf. Hoewel iemand laatst tegen mij zei: het is Het gemillimeterde hoofd in het kwadraat – of tot de 20e macht, want het gaat over twintig personen. Ik kon in dit boek ook een beetje mijn ideeën kwijt over de laatste ware of niet ware hypotheses, wiskundig en natuurkundig. Alles wat er in staat is waar, maar aan de rand is het moeilijk uit te maken wat waar is en daar fantaseer ik.


SK — Achterin Rondo Veneziano staat ook een ‘Verantwoording’ – een korte. Daarin schrijft u: ‘Deze roman is een product van mijn fantasie. Echter, waar het verhaal in aanvaring komt met de werkelijkheid, wijkt het voor de feiten.’
GK — Nou, ik zal je een voorbeeldje geven. Ik zeg ergens, ‘IJzer verlangt naar gisteren.’ Wat betekent dat? Ik vind het een intrigerende zin: ijzer verlangt naar gisteren, het wil zijn zoals het gisteren was. Als ik nou tijdens het schrijven een tekst zou hebben ontdekt in Scientific American of Nature of een van die andere gezaghebbende bladeren dat ijzer niet naar gisteren verlangt, maar naar morgen, dan had ik dat veranderd. Ik wil geen dingen die aanwijsbaar fout zijn. Maar de grote bladen zwijgen hierover, dus ik kan mijn gang gaan. Dingen beweren die mij intrigeren of boeien op een romaneske manier, zonder dat ze zeggen: Da’s fout!
Maar dat nawoordje van mij: dat moet wel degelijk gelezen worden. Hoewel het helemaal niets verheldert.


SK — (lacht) Nou, ja en nee. Je leest het boek en daarna lees je het nawoord en daarna lees je het boek nog eens, want het nawoord maakt je nieuwsgierig naar wat je net gelezen hebt. Je krijgt informatie achteraf waarmee je opnieuw kunt beginnen. Het is een soort cirkel. Een rondo!
GK — Ik heb, voordat ik Rondo Veneziano schreef, een andere roman gelezen, van Boris Vian: Herfst in Peking. Het aardige van de titel is dat het boek niet in Peking speelt en ook niet in de herfst. Het eindigt met een hoofdstuk dat door Vian geschreven is maar onder een andere naam, waarin duidelijk wordt gemaakt dat als je het boek uit hebt, dat je het onmiddellijk weer moet gaan lezen. En dat is ook zo, dat gevoel heb je dan ook. Dat gevoel wou ik ook meegeven in Rondo Veneziano. Ik was zelfs van plan om een heel hoofdstuk eraan te besteden, net als Vian. Maar je moet niet iemand nadoen. Die neiging heb je dan wel, als je iemand bewondert. Als je een beetje schrijver bent dan weet je na drie regels dat dat niet gaat. Want het wordt toch anders. Maar ik heb wel veel gehad aan dat boek. Ik heb het vaak gelezen – heel intrigerend. Je weet eigenlijk niet waar het gaat. En dan lees ik ook nog wel wat slordig, ik lees nooit braaf van begin tot einde, ik lees alles als een dichtbundel. Misschien omdat ik ook zo ben. Mijn boeken zijn ook een beetje poëtisch.


SK — Dat fragmentarische…
GK — Juist.


SK — Dat zien we ook weer in Rondo Veneziano terug. Je kiest trouwens niet voor niets Venetië als achtergrond, neem ik aan.
GK — Ik was daar eerst niet zo voor, maar mijn vrouw zei: Venetië is veel interessanter om over te schrijven dan veel andere steden. Het ging ook een beetje samen op met de opdracht die ik mezelf had gegeven om een roman te schrijven over de vraag: hoe komt het dat wij deze beschaving hebben en niet een andere? Ik heb wel gemerkt dat het voor een hele hoop mensen geen probleem is, maar ik was nieuwsgierig. Ik dacht ook, een congres over dit onderwerp, dat moet toch wel interessant zijn – althans, voor mij. En gegeven het feit dat ik het wou hebben over het begin van de westerse beschaving en dan vooral wetenschappelijk, dan kan het niet anders dan in Italië, en eigenlijk Noord-Italië, en dan aan een universiteitsstad. Uiteindelijk is het Venetië geworden. We hebben twee maanden in Venetië gewoond, mijn vrouw en ik, buiten het toeristische circuit om.


SK — Net als Vicky en Pipper, de twee hoofdpersonen in uw roman.
GK — Inderdaad. Ik kreeg een tip van vrienden, van mensen die een appartement hadden, die konden we huren. Het was een tolhuis, met daarvoor een paar vieze benzinepompen. Je had daar allemaal boten die daar aanlegden en benzine tankten en daarna verder gingen. Geen toerisme!


SK — Het verhaal van Rondo Veneziano vindt grotendeels plaats tijdens een symposium, het zogeheten ‘Torricelli-colloquium’. Hoe heeft u de sfeer van zo’n bijeenkomst zo goed weten te treffen?
GK — Omdat ik zelf zo’n symposium heb bijgewoond. Wacht maar (staat op en haalt een foto album). Kijk, ik heb hier het programma nog. Het was in Colmar, in ’87. Kijk eens even naar de lijst van deelnemers: Professor, Professor, Professor Doctor, G. Krol, Professor, Professor Doctor, Professor…


SK — Het is het lijstje uit uw roman… ik herken de namen, Nowotny, Goormaghtigh…
GK — Zoals je ziet ben ik de enige zonder titel. Ik zat daar dus zeer agressief mezelf te bewijzen en die mensen dachten, wat doet die man hier?


SK — Dus, u bent helemaal geen professor?
GK — Nee, ik ben zelfs een mislukte student. (lacht)


SK — Maar wat doet u dan op zo’n colloquium?
GK — Ik werd gevraagd, door deze meneer (wijst de naam aan op de lijst), meneer Dolman. Hij belde mij en zei, je kunt niet weigeren, dit is een buitengewoon eervol verzoek! Het thema was: Images of Science in Literature, het werd aangevoerd door Prof. dr. Jonsson uit Stockholm. Die had een opponent nodig, en dat was ik. Hij had mijn verhaal van tevoren gelezen, en op de dag dat het gebeurde was hij de hele dag bezig om zijn eigen stuk te herschrijven.


SK — Waarom gaat Pipper eigenlijk naar het colloquium? Wat hoopt hij daar te bereiken?
GK — Nou, door dat ongeluk in Venezuela loopt hij een beetje los rond in de wereld. Dan krijgt hij opeens een functie op een gebied waar hij een minderwaardigheidsgevoel heeft, omdat hij geen opleiding heeft. Dus hij doet zijn best. Hij zit dan in het mechanisme, dus als er een conferentie is wordt hij automatisch uitgenodigd. Hij zit zelfs in het bestuur (lacht). Hij vindt het ook wel spannend dat hij eigenlijk geen doctor is – maar het blijft toch aan hem knagen. Hij schept steeds afstand door te zeggen: het is hun probleem.
Ach, die hele vraag: word ik professor of word ik geen professor – ik heb me daar zelf nooit al te druk over gemaakt. Ik heb wiskunde gestudeerd als iemand die van de taart snoept. Wat ik leuk vond heb ik gedaan en wat niet, niet.


SK — Net zoals u leest eigenlijk.
GK — Ja! En altijd met in mijn achterhoofd, ik word toch schrijver. Ik ben nooit in paniek geraakt door de vraag, wat ben ik? Wat word ik? Ik schreef toen al poëzie, maar ik wist wel dat ik met mijn gedichten niet zoveel geld zou verdienen. Nou, als je je dat goed realiseert, dan heb je er ook vrede mee dat je een kantoorbaan neemt. Ik had natuurlijk een kantoorbaan op wetenschappelijk niveau, bij Shell – het was geen administratie, maar het was allemaal papier. Ik heb wel de kans gehad op een grote computer te werken, een van de eerste van Europa. Dat was best lekker! Maar je moet niet denken dat ik wist hoe een computer in elkaar zat – daar had ik geen tijd voor. Ik werkte wel hard, maar als ik weer thuis was dan werkte ik niet voor Shell. Dat werd ook altijd door mijn werkgevers geaccepteerd. Ook toen ik boeken schreef waar de Shell overduidelijk in voorkwam.


SK — Daarnet zei u, over De rokken van Joy Scheepmaker, het ie een heel emotioneel boek. Hoe zou u Rondo Veneziano karakteriseren?
GK — Rondo Veneziano is een vrij moeilijk boek, een ideeënroman. Verschillende ideeën, door elkaar heen. Ik heb ook bewust het boek heel eenvoudig laten beginnen. Het begint met iemand die op een terras zit, die wacht op een kopje koffie, wacht op zijn vriendinnetje… als je een boek hectisch begint en het boek ís al een beetje chaotisch, dan raakt je lezer de draad kwijt. Het begint gewoon netjes, sequentieel, geleidelijk. En dan komt het eerste probleem: de ‘doctorkwestie’. De volgende problemen zijn natuurlijk vreselijk complex.
Ik heb bij het schrijven van Rondo vreselijk veel gehad aan een boek van Isaac Asimov. Ook voor het bedenken van gasten op het colloquium. In dat boek van Asimov – ik ben even de titel kwijt – staan 1.200 biografietje’s van allemaal verschillende wetenschappers. Ik zag het liggen in een boekwinkel in Cambridge en ik greep er onmiddellijk naar, want juist in een boek waar het om zulke complexe zaken gaat, moest Asimov in een kort stukje vertellen waarom iemand zo belangrijk was. En dat doet hij glashelder. Daar kon ik wat van opsteken. Hij was ook wel hartveroverend, deze Asimov – het is een pil van 800 bladzijden, met dubbele kolommen, boordevol informatie dus. Bij de tweede editie schreef hij dat hoewel de lezers waarschijnlijk dachten dat hij een heel team had zitten die het zoekwerk deed, er niets van waar was. Hij had het helemaal alleen gedaan. Gewoon twee handen en één geest. En, schrijft hij, ‘Ik heb zelfs geen typiste gehad.’
Het is zo’n mooi boek, echt uit liefde geschreven. In 1980 – zonder Internet!
Eén van de charmes van die encyclopedie is dat hij bij elke naam ook de namen noemt van wetenschappers met wie die ene contact heeft gehad. Een wetenschapper staat nooit alleen, hij heeft altijd een leermeester gehad, of leerlingen… Ik las dat en ik dacht, verrek! Dat doe ik ook in mijn boek! Een hele lange lijst. Er zit een soort muziek in. Ik heb een oudere broer die zeer alfa is. En die zei, ik ken er niet één van. Ik zei, je hebt toch wel van Pasteur gehoord? En Newton? (lacht) Ik had het nog twee keer zo lang kunnen maken, maar je moet ook niet overdrijven.


SK — De gasten op het colloquium: er zit van alles tussen. Een kleurrijk gezelschap. Één gast, een zekere Welbeke, is niet op komen dagen, maar is desondanks zeer aanwezig. De naam Welbeke doet natuurlijk denken aan Houellebecq, de schrijver van Elementaire deeltjes. En inderdaad: dat boek speelt in Rondo Veneziano een onmiskenbare rol…
GK — Ik had erover gehoord en gelezen, eind 2000 geloof ik, ik was toen nog helemaal niet met Rondo bezig. Ik kocht het boek en het greep mij onmiddellijk aan, want hier zou ik dan lezen wat ons te wachten stond, wat de toekomst voor ons in petto had. Ik lezen en lezen en lezen, boek uit, niets gevonden. Ik voelde me een beetje genomen. Máááár… ik weet overal wat mee te doen. (lacht) Ik heb het gewoon in mijn eigen boek gestopt.


SK — Vond u het een goed boek, Elementaire deeltjes?
GK — Ik vond het een beetje een raar boek. Niet zo fijn. Ik vond veel dingen niet overtuigend. Technisch is het wel een prestatie, maar filosofisch werpt het geen problemen op. Al die seks-dingen – dat werkt altijd natuurlijk, maar het moet ook een beetje leuk zijn, niet zo zwaar. Ik heb nergens de fout begaan om seks te beschrijven. Het is net daarvoor en net daarna: ‘Zeg, kom je?’, stukje wit, de volgende dag worden ze wakker en dan weet je, het is gebeurd.
Ach, het is geen gek boek, Elementaire deeltjes. Maar het belooft meer dan dat het waarmaakt. En daarom probeer ik in mijn boek een aantal antwoorden te bieden die ik bij Houellebecq niet gevonden heb.


SK — Waarom wordt iemand eigenlijk wetenschapper, denkt u?
GK — Ik denk dat dat een combinatie is van talent en een brandende ambitie. Het gevoel dat je het beter weet. Je moet als wetenschapper ook niet te genereus zijn. Ik ben, als schrijver, zeer eerzuchtig. Het is ook wel misschien de belangrijkste drijfveer. Ik ben niet zo dom dat ik plagiaat zou plegen – je moet ook wel de ander de eer gunnen, hoe zeer het ook soms moeilijk valt te herkennen dat hij sterker is dan jij. Je moet je eigen krachten kennen, jezelf niet overschreeuwen. Er zijn natuurlijk schrijvers genoeg die beter schrijven dan ik, maar niet één schrijver die schrijft zoals ik. En er zullen ook schrijvers zijn die vinden dat ik beter schrijf dan zij. Je moet het zien als een sportieve wedstrijd. Dat geldt zeker voor wetenschappers. Het is niet wat je vaak leest, dat een wetenschapper gedreven wordt door nieuwsgierigheid. Dat is lang niet alles. Het is ook een geweldige race.


SK — Waar racen ze naartoe?
GK — Eer. De Nobelprijs.


SK — U noemt uzelf een eerzuchtige schrijver. Maar volgens mij bent u niet op zoek naar een bestseller status. U sluit in uw werk ook weinig compromissen. De lezer moet soms ook hard werken om te begrijpen wat er staat.
GK — Ik heb een kleine kern van zeer grote bewonderaars en dat is mij veel waard. Misschien zou ik meer aan pr moeten doen… maar ik schrijf liever een boek. En inderdaad: compromissen sluit ik niet graag. Neem nou die vier, vijf bladzijden, die lange lijst met wetenschappers waar we het net over hadden: als iemand, een engel ofzo, die vooruit kon kijken, zou zeggen: Meneer Krol, als u die lijst er niet in doet, dan verkoopt u 5.000 exemplaren, maar als u het daar wel in doet, dan wordt dat aantal gehalveerd… dan zou ik toch voor de tweede optie kiezen. Op die manier ben ik al veertig jaar bezig.


SK — U bent een heel integere schrijver.
GK — Ik? Jazeker.


SK — Volgens mij is dat ook een drijfveer. Het zoeken naar antwoorden, naar waarheid, ook al is het misschien geen definitieve waarheid.
GK — Dat is zeker een drijfveer, juist een hele sterke. Iemand heeft ooit gezegd: ‘er is geen waarheid, maar sommige dingen zijn meer waar dan anderen’. Daarom moet je ook blijven zoeken.


SK — Is dat de wetenschapper in u die nu spreekt?
GK — Nou, misschien ook wel de filosoof. Want ik ben natuurlijk geen proefnemer, ik ben een schrijver. En een filosoof wil niets liever dan schrijven. Maar ja, een filosoof pretendeert ook altijd de waarheid. Stel je voor dat een filosoof iets schrijft en dan zegt dat het niet waar is! Dat kan niet. (lacht)


SK — Maar hij kan ook zeggen: uiteindelijk zou ik de waarheid gevonden willen hebben, maar ik ben eigenlijk nog op weg.
GK — Ja. Hij voelt intuïtief aan dat hij de goede hulpstellingen bij de hand heeft. Dan weet hij nog niet helemaal wat de verbanden zijn, maar intuïtief voelt hij dat hij het daarvan moet hebben. En dat drijft hem voort. Bij wiskundigen zie je dat heel sterk, meer dan bij enig ander vak: dat dag en nacht erdoor geobsedeerd kunnen zijn. Heb ik zelf helemáál niet als ik mijn dagelijkse portie geschreven heb. Daar (wijst door het raam naar buiten) is een huisje, in de tuin – daar zit ik meestal te schrijven. Dan kom ik hier, en als ik echt goed geschreven heb dan kan ik het helemaal achter me laten.


SK — Meneer Krol, we hebben het nog niet gehad over de vrouwen op het colloquium. Er zijn twee soorten vrouwen in Rondo Veneziano: sommigen nemen deel aan het colloquium en anderen zijn uitgenodigd als ‘vrouw van’. Een van die ‘vrouwen-van’ zegt op een gegeven moment dat ze formules haat, want ze is meer een gevoelsmens. Maakt u daardoor een onderscheid tussen wetenschappers en niet-wetenschappers?
GK — Nou, ik wil haar gewoon een beetje dom laten overkomen. Dat is ook die vrouw die allemaal vakantiefoto’s laat zien. Vicky, de vriendin van Pipper, vind ik zelf heel aardig. Als stel komen ze sympathiek over, ze kiezen voor elkaar. Heel rustig, geen scènes. Ja, die Vicky – er wonen hierachter twee mannen samen, goede vrienden van ons, die lezen alles wat ik schrijf. Eén van die jongens zei, toen hij Rondo uit had: Vicky was een lellebel! Waarom heb je dat niet uitgebreid? Dus toen dacht ik, ja zeg! Een gemiste kans! Ze willen trouwens alle twee dat ik iets over homo’s schrijf. Een roman. Ik heb verschillende dingen al geprobeerd, maar het valt mij niet mee, het is gauw te gewild, of teveel cliché. Wel een spannend idee. Ik blijf het proberen, misschien lukt het in één keer.


SK — De kranten beweren dat Rondo Veneziano uw laatste boek zal zijn.
GK — Nee, hoor. Ik ben nu al met een ander boek bezig, dat speelt begin jaren ’70. In de jaren ’60 zaten mijn vrouw en ik in Venezuela en we kwamen terug in een totaal veranderd Europa. We gingen in de jaren ’60 weg, toen iedereen nog een stropdasje droeg, we kwamen in de jaren ’70 terug en toen waren de stropdasjes allemaal verdwenen. Iedereen had van dat vreemde haar en de meisjes liepen op blote voeten in de stad. Ik heb ook meegedaan. Mijn vrouw niet maar ik wel.


SK — U liep op blote voeten door de stad?
GK — Nee, ik zag dat en dat bewonderde ik. Toen lagen er nog geen glasscherven (lacht).
Het leek me leuk om daarover te schrijven, over die tijd. Ja, dat kan best eens een heel mooi boek worden.





The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.