| the ledge files the ledge - nl - uk |
nieuw zoeken |
gesprekken boeken |
|
| Interview Jim Heynen 'Dagdromen' Een voor een droomden de jongens weg. Midden op de akker waar de bonen tot kniehoogte stonden en waar ze zich overgaven aan hun drie uren verplicht ‘bonen lopen’ om de zonnebloemen, het wilde graan, de wolfmelk en de klis, kortom alles wat geen boon was, eruit te wieden. Alles wat niet thuishoorde tussen deze groene rijen met sojabonen, sojabonen en nog eens sojabonen. Ze droomden ieder op hun eigen manier weg. En terwijl ze wegdroomden bukten ze zich of bogen zich naar de grond en braken af of trokken los wat er niet thuishoorde, op een uur dat de zon eerder nat was dan warm en de geuren die opstegen van de akker als die van een oud bed waren, vlakker en doffer dan de geur van sojabonen of al wat er niet tussen thuishoorde. Ze schuifelden gestaag verder en droomden weg, voorbij plicht of werk, voorbij complimentjes of standjes, woordeloos en moeiteloos, en betraden het schemergebied tussen zich inspannen en zich niet inspannen, doen en nalaten, waar eentonigheid ontspanning kan worden en verveling tevredenheid. uit: Het schooltje met één klas vertaling interview: Niek Miedema met: Stacey Knecht Jim Heynen boeken: Dansen met de kippen
|
SK — Hoe kan het dat een geboren en getogen Newyorkse zoals ik zo geraakt wordt en zich zo volledig kan identificeren met een jongetje dat opgroeit op het boerenland? Waarom krijg ik het gevoel dat ik dezelfde dingen gezien heb als hij, dezelfde geuren heb opgesnoven en dezelfde avonturen heb beleefd? JH — De Amerikaanse dichter Donald Hall heeft gezegd dat waar literatuur echt werkt, iemands innerlijke leven tot het innerlijke leven van een ander spreekt. Het feit dat een Newyorkse geraakt kan worden door een boerenjongen uit Iowa die het plattelandsleven beschrijft, betekent voor mij dat onze innerlijke levens door de meest uiteenlopende dingen gevoed worden. Ik weet wel dat als ik zelf lees, ik het heerlijk vind om mijn innerlijk leven terug te vinden via mij onbekende uitbeeldingen van op zich vertrouwde gevoelens. Iedereen die schrijft moet het hebben van die ideale lezers die bereid zijn zich in die onbekende uitbeeldingen te verplaatsen, zodat die wonderbaarlijke verbinding van innerlijke levens tot stand kan komen. Als mijn verhalen zo in elkaar zitten dat de ervaringen van het jongste broertje zo overtuigend zijn dat de lezers bereid zijn zich erin in te leven: nou, geweldig! Op die geloofwaardigheid ben ik dan op mijn bescheiden manier best trots. SK — ‘Onbekende uitbeeldingen van op zich vertrouwde gevoelens’, daarmee is het perfect samengevat. Kun je me iets vertellen over de beelden die jij daarvoor kiest? En hoe komt het dat je zoveel weet over de jongste zijn? JH — Hoewel ik het merendeel van de calvinistische leer uit mijn jeugd bewust heb afgezworen, denk ik wel dat mijn beelden vaak simpelweg seculiere versies (of parallellen) zijn van datgene waar ik mee ben opgevoed. De noties van verlossing, vernieuwing, genade, gerechtigheid (al komt dit vaak dichterbij karma dan bij de oudtestamentische wrake), zelfs de opstanding, zoals in het verhaal ‘De vaars kalft voor de eerste keer’. Ik verwerk die ‘verborgen religieuze boodschappen’ nooit opzettelijk in mijn verhalen, maar soms zit ik ze te lezen en denk ik: ‘Nee, hč? Johannes Calvijn met je geestelijke infiltrantenbende! Hoe ben jij hier nou weer binnengekomen?’ Ik schrijf vooral over wat ik ken, maar ik schrijf ook over wat ik niet ken aan wat ik ken. Je kunt gerust stellen dat er een kern van waarheid in bijna al mijn verhalen zit, zelfs in de verhalen die over vrouwen gaan. Voor de humor in de verhalen over vrouwen heb ik veel te danken aan mijn moeder, die met één zinnetje een heel verhaal kon vertellen. Van haar heb ik die vrouw die haar kunstgebit gebruikte om patroontjes op haar ovengerechten te maken (‘Taart’). En zij was ook degene die me vertelde dat ze een vrouw kende die haar moedermelk bij mensen in de koffie deed (‘De vrouw van de dominee’), Uiteraard groeien die losse, komische zinnetjes van mijn moeder bij mij dan uit tot verhalen. Dat het jongste broertje in veel van de verhalen zo goed uit de verf komt: ja, ik was inderdaad de jongste thuis. De verhalen waarin hij zodanig optreedt dat de lezers hem gaan bewonderen en met hem gaan meeleven bewijzen alleen maar dat de jongste de gave heeft om zijn bevoorrechte positie zielig te laten overkomen. SK — In je verhalen lijkt het wel of de jongste beschikt over een soort intuďtieve wijsheid. In sterkere mate althans dan de anderen uit het groepje jongens dat je simpelweg ‘de jongens’ noemt. JH — Ja, daar ben ik me van bewust, dus vermoedelijk doe ik meer dan alleen uitdrukking geven aan mijn eigen neiging tot zelfrechtvaardiging en zelfmedelijden, als iemand die zelf heeft ‘geleden’ onder de schijnbare kwellingen van het de jongste zijn, degene die in het gezin en onder de vriendjes uit mijn jeugd altijd het onderknuppeltje was. Ik ben me er ook bewust van hoezeer het jongste broertje een Wordsworthiaanse romantische visie belichaamt (het kind als vader van de man). De wijsheid van de onschuldige jongen tegenover de bezoedeling van de volwassen man. De oudste van de jongens uit de verhalen staat het dichtste bij de rationaliteit en de praktijkgerichtheid van de volwassen man. De jongste jongen is veel intuďtiever en romantischer. Als mijn verhalen over de boerenjongens zouden pleiten voor het intuďtieve en romantische in tegenstelling tot het rationele en praktijkgerichte, dan heb ik daar overigens geen enkele moeite mee. SK — Een soort Peter Pan-gevoel (ik wil niet opgroeien!) dus? Maar is het alle narigheid wel waard? En alle angsten? Ik denk met name aan de scčne waarin de jongste broer alleen buiten is en heel dichtbij een paardebloem komt, waarvan hij opeens denkt dat die ademhaalt. Hij schrikt en rent terug naar zijn veilige huis. Toen ik zeven was heb ik een soortgelijke ervaring gehad. Ik was op bezoek bij mijn oma op het platteland en zag in een weiland vlak tegenover haar huis een jong vogeltje dat in het gras was gevallen. Toen ik het hulpeloze beestje ging helpen sperde het plotseling zijn bek open, en die was diep en geel van binnen. Ik schrok vreselijk. Op de een of andere manier had dit kleine schepseltje mij voor de gek gehouden en was het in een monstertje veranderd. Ik rende zo hard als ik kon terug naar het huis van mijn oma en ben het nooit vergeten. JH — Hielden maar meer mensen dat soort onschuldige angsten vast en deinsden ze maar wat vaker terug voor iets engs, ook al is dat terugdeinzen een gevolg van een onschuldige misvatting. Ja, ik denk inderdaad dat het alle narigheid en alle angsten waard is. Als meer mensen er moeite mee zouden hebben om op te groeien, denk ik dat we veel minder onderlinge wreedheden in de wereld zouden meemaken. Ik weet nog wel dat ik in een bepaalde fase, tijdens het schrijven van de jongensverhalen, geobsedeerd was door de kwestie van kinderwoede, die, zoals ik het begrijp, bijna altijd samenhangt met gevoelens van onrechtvaardigheid (zoals in het verhaal ‘Hebbes’) Ik denk dat wij als volwassenen de neiging hebben dergelijke kindergevoelens onvoldoende serieus te nemen. We zijn vergeten hoe sterk ze waren. Wanneer wij een volwassene typeren als een ‘gefrustreerde romanticus’ dan denk ik dat we een botsing zien tussen kinderlijke gevoeligheid en onschuld, en de rationaliteit en praktijkgerichtheid van de volwassene. Ik zou graag denken dat bij het intuďtieve kind de kans groter is dat het een vreedzame of zelfs mooie oplossing vindt voor situaties die gemakkelijk in woede zouden kunnen ontaarden. SK — Maar soms worden de meest intuďtieve kinderen juist gedwarsboomd door de volwassenen of oudere kinderen die hen in de richting van vreedzame of mooie oplossingen zouden moeten sturen. Denk je dat opgroeien op een boerderij je meer gelegenheden biedt om je woede in goede banen te leiden dan het opgroeien in een grote stad? Het is een lastige vraag, want in jouw jeugd was het vermoedelijk heel anders om op een boerderij op te groeien dan tegenwoordig. |
JH — Ik durf die vraag onmiddellijk en met een gerust hart met ja te beantwoorden. Ik geloof oprecht dat het in een plattelandsomgeving gemakkelijker is je woede in goede banen te leiden. Ik geloof bovendien dat, omdat kinderwoede zo vaak voortkomt uit gevoelens van vermeende onrechtvaardigheid, plattelandskinderen zich gemakkelijker kunnen identificeren met slecht behandelde en misbruikte dieren. Dieren zien er zo weerloos en onschuldig uit. Een kind voelt dat het niet klopt dat dieren als goederen zonder gevoel worden behandeld. Ik denk dat mijn eigen inlevingsvermogen zich is gaan ontwikkelen toen ik me begon te verplaatsen in het lijden van de dieren op de boerderij. Inlevingsvermogen is sowieso een van de belangrijkste hulpmiddelen om onlustgevoelens te beteugelen of voorkomen. Maar om nog even op woede terug te komen: ik geloof dat vandalisme een uitdrukking is van woede, net als het meeste andere kinderlijke verzet tegen macht en gezag. Een factor in het leven op het platteland (en ik vermoed dat dit vandaag de dag nog altijd geldt) die kinderlijke uitingen van woede in goede banen helpt leiden, is dat op het ongepaste gedrag wordt gereageerd door de hele gemeenschap, in plaats van door een of andere aparte instelling voor wetshandhaving. Ik weet nog dat toen ik als opgeschoten jongen op een zaterdagavond, als de boeren naar het dorp kwamen, een auto had bekogeld met rijpe tomaten, mijn straf eruit bestond de auto te wassen van de man wiens auto ik met tomatensap had bevuild. Daar kwam geen politie aan te pas. Een andere gunstig facet van de plattelandsomgeving is dat daarin zoveel gelegenheid bestaat om negatieve gevoelens van je af te werken. Deels komt die gelegenheid natuurlijk gewoon voort uit allerlei werk dat gedaan moet worden: ga jij maar eens een middagje klis van het graan trekken. Als gevoelens van onrechtvaardigheid aan de basis liggen van kinderwoede, dan is ledigheid datgene wat er de gelegenheid toe biedt. SK — De verhalen in deze bundel gaan voornamelijk over ‘de jongens’. Een voor de hand liggende vraag: waar waren ‘de meiden’? JH — Die vraag heb ik mezelf ook gesteld. Waar zijn de meiden en zouden die niet evenveel ruimte moeten krijgen? Maar toen ik probeerde verhalen over meiden te schrijven ontdekte ik twee dingen. Ten eerste dat de meiden meestal veel weg hadden van het jongste broertje en dat de teneur van de verhalen daardoor onverhoopt anti-mannelijk werd, en ten tweede dat als ik in alle oprechtheid terugdacht aan mijn jeugd op het platteland, de jongens ook werkelijk apart van de meisjes optrokken en eigen groepservaringen hadden. Het voelde gezocht aan om te proberen een wereld te scheppen die niet klopte. Ik denk dat er misschien ook een verschil bestaat tussen jongens- en meisjesenergie (of, zoals sommige psychologen het noemen, ‘tussen puer-energie en puella-energie’). Ze zijn natuurlijk met elkaar verweven en overlappen her en der, maar door me op de jongens te richten kreeg ik de kans in de verschillende nuances van de jongenservaring te uit te diepen. Toen ik aan het eind van de jaren zeventig met het schrijven van deze verhalen begon, had ik me net uitvoerig verdiept in de liederen en verhalen van de Amerikaanse indianen. Met name de figuur van de trickster trok me, omdat die problemen zo vaak op verrassende en gewiekste manieren te lijf ging. Bij het lezen van die verhalen van de indianen, via mondelinge overlevering bewaard voordat etnografen ze opschreven, deden ze me denken aan de volkse humor en de verhalenvertellers uit de plattelandsgemeenschap waarin ik was opgegroeid. Het is mogelijk dat ‘het jongste broertje’ enkele eigenschappen van de slimme, gewiekste trickster-figuur heeft overgenomen. En waar de jongens als eenheid opereren, op een manier die inzichten biedt, dan zijn het doorgaans inzichten die zouden passen bij wat het jongste broertje ook op zijn eentje zou hebben aangevoeld. SK — Heb je zelf jongens thuis? JH — Ja, ik heb een zoon die is opgegroeid in Port Townsend, een kustplaatsje in de staat Washington, in het Noordwesten. Veel van zijn ervaringen komen overeen met de mijne, zoals bijvoorbeeld het spelenderwijs allerlei risico’s nemen, of buitenstaanders die zich verheven voelen boven de plaatselijke boertjes en poets proberen te bakken. Ik heb zelfs een deel van mijn materiaal ontleend aan mijn zoon Geoffrey. Zo is het verhaal ‘Schele’ geënt op een keer dat een pestkop een brildragende vriend van Geoff had uitgescholden voor ‘schele’. Toen Geoff de pestkop daarop aansprak, sloeg die hem een tand door de lip, waarna het hevig bleef bloeden. Geoff nam wraak door er onbewogen bij te blijven staan en het bloed van zijn kapotte lip vrijelijk te laten neerdruppelen. In de ogen van zijn vrienden was Geoff een held omdat hij had aangetoond dat je je tegen een pestkop kunt verzetten zonder je zelf als eentje te gedragen. Ik heb dat verhaal natuurlijk omgewerkt en in de plattelandsgemeenschap waarin ik ben opgegroeid gesitueerd. Voor mij blijft de boerderij nu eenmaal het meest geëigende decor voor mijn verbeelding. SK — Wat vond Geoff van ‘Schele’? JH — Hij vond het mooi, vooral de manier waarop ik van de waarheid was afgeweken en een verhaal had bedacht dat veel interessanter was, een soort aangedikte versie van de waarheid. In werkelijkheid is Geoff, bebloed en al, naderhand een uurlang gaan basketballen. Daar waren zijn vrienden ook van onder de indruk. Het verbaasde Geoff wel dat ik later gelijk bleek te krijgen met mijn voorspelling dat hij nog eens bevriend zou raken met de pestkop. Het feit dat ik Geoff in dit verhaal heb opgevoerd in de begerenswaardige rol van ‘jongste broertje’ heeft onze vader-zoonverhouding trouwens geen kwaad gedaan. SK — Is hij dan niet echt de jongste? JH — Hij heeft een oudere zus, maar is de ‘enigste’ jongen thuis. SK — De kroonprins. JH — Zo kun je het wel stellen. Ieders held. We hebben tijdens dit interview uitgebreid stilgestaan bij ‘het jongste broertje’ en ik realiseer me nu dat hij, evenals de slimme, wijze grootvader uit de verhalen, meestal ongebruikelijke, bescheiden of komische oplossingen bedenkt voor doodgewone problemen. Het is me wel bevallen om er eens vanuit die invalshoek naar te kijken. Daardoor werd ik gedwongen na te denken over wat ik in de loop der jaren met het jongste broertje heb gedaan. En ik zie nu in dat hij doorgaans het vehikel is voor de boodschap van het verhaal, ook waar hij zich vergist. - vertaling: Niek Miedema |
|
| The Ledge Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com Dank aan: De digitale pioniers en Het Prins Bernhard Cultuurfonds Ontwerp: Maurits de Bruijn |
Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs. |
||