| the ledge files the ledge - nl - uk |
nieuw zoeken |
gesprekken boeken |
|
| Interview Chris Keulemans De Amerikaan die ik nooit geweest ben is een panoramische roman over de schoonheid van parkeerplaatsen, de trouw aan vrienden die zomaar verdwijnen, de nichterige sneer van Johnny Thunders en de dronkenmanswals van Pearl Jam, heimwee zonder vaderland en het luik naar de schaduwwereld van het communisme. Maar De Amerikaan is ook nog een dvd, een radiodocumentaire en een website. Te veel van het goede? Of de ultieme multimediale ervaring? met: Chris Keulemans Stacey Knecht boeken: De Amerikaan die ik nooit geweest ben
|
SK — Waarom een vierluik? Was één boek 'niet genoeg'? CK — Vanaf het moment dat ik wist dat ik het verhaal, mijn ontdekking van Amerika zou schrijven via de vriendschap met David Holden – en die vriendschap draaide helemaal om muziek en film en boeken – wist ik ook dat ik nooit in een boek alles zou kunnen onderbrengen die de vriendschap en ook Amerika voor mij zo ontzettend typeren. Het geschreven woord zou onvoldoende zijn. Ik schrijf graag over muziek en over film, en dat zit ook veel in de roman, maar Taxi Driver moet je laten zíén, en Jonathan Richman moet je hóren. Toen ik mijn plan had, drie jaar geleden, was er ook nog eventjes de droom van de nieuwe media dat tegen de tijd dat het klaar zou zijn al die media – televisie, internet en computer – één zouden worden. Dat je iemand een schijfje mee kon geven dat die in zijn e-boekje kon inladen – één voorwerp waarmee je alle media kon afspelen. Die droom had ik dus ook, maar het is niet uitgekomen. Vandaar dat mijn project in losse onderdelen uiteen is gevallen. SK — Site, boek, dvd en radiodocumentaire. CK — Ja. De site staat al een jaar online. Een jaar lang heb ik er om de twee weken een nieuwe onderwerp op gezet, thema’s die ook in het boek aan de orde komen. Sinds het verschijnen van de roman in oktober ben ik daarmee opgehouden, maar alle materiaal dat binnenkomt of dat ik zelf vind over die onderwerpen die daarop staan, dat kan er nog allemaal op. De website heeft me gedwongen om me elke week in de thema’s te verdiepen en ervoor te zorgen dat ik steeds over Amerika bleef nadenken. Het was een publieke manier om mijn eigen concentratie voortdurend bloot te stelleen aan de aandacht van anderen. De radiodocumentaire is een biografische documentaire over David Holden, schrijver en radiomaker, en over onze vriendschap. Hij was de Amerikaan die ik nooit geweest ben. Voor de radiodocumentaire ben ik naar New York en New Jersey geweest om zijn oude vrienden te interviewen. Het boek beschrijft mijn ontdekking van Amerika van buitenaf en mijn vriendschap met David tot en met zijn dood in 1994. En die DVD is een soort roadmovie in stilstaande beelden, over een man die thuiskomt waar hij nooit gewoond heeft. Daar zie je de foto’s en hoor je de teksten van mijn tocht door New Jersey, de staat waar David vandaan kwam. Het wordt samen met het boek verkocht. Alle vier onderdelen grijpen in elkaar, zonder dat ze elkaar te veel overlappen. Je kan dus elk onderdeel afzonderlijk tot je nemen, maar als het goed is versterken ze elkaar. SK — Boeiende combinatie, Internet en literatuur. CK — Zeker. Die website van mij zit ergens tussen fictie en documentaire in. De personage van de ‘gastheer’ is een toch min of meer voor de gelegenheid gefictionaliseerde versie van mezelf. De site is ook een poging om aan te tonen dat tekst op een beeldscherm leesbaar kan zijn, dat de concentratie van de internetbezoeker vertraagd kan worden, in zover dat hij echt de tijd neemt om ervoor te gaan zitten. Het principe is altijd geweest: de site moet een vrij warme uitstraling hebben, dus niet een technologische uitstraling. Het moet de sfeer hebben van een scrapbook. Zoals je eigen hoofd ook volzit met flarden van popcultuur – zo moet die site ook werken. Het moet niet rommelig, kortaf, fragmentarisch of versnipperd zijn, maar het moet die verbindingen en die associaties die het scrapbook in je hoofd ook heeft. We hebben geprobeerd om de site zo te ontwerpen dat je erin glijdt en dat je als je het echt wil bezoeken bijna gedwongen wordt tot een rustiger vorm van concentratie en reflectie dan je meestal op Internet gewend bent. SK — Je bent al drie jaar lang intensief met het project bezig geweest. Was er een onderdeel waar je eigenlijk het liefst aan werkte? CK — Dat wisselde wel. De hoofdzaak was natuurlijk de roman. Dat was ook het zwaarste werk, omdat hij zo bleef uitdijen en omdat ik, zoals dat hoort, denk ik, onderweg moest ontdekken wat een roman ís. Dat is heel solitair werk. En ik heb helemaal de aard daar niet voor. De site was dus een welkome afleiding. Elke woensdag ging ik naar Submarine, het bedrijfje waar de site gemaakt werd. Daar zat ik met twee mensen filmpjes, foto’s, teksten uit te zoeken en te bewerken, want het moest natuurlijk allemaal technisch klaargemaakt worden. Het was ontzettend leuk werk – we waren bezig met het digitaal maken van pre-digitale popcultuur. De jaren ‘94-‘95, dus eigenlijk rond de tijd dat David stierf, waren precies de jaren waarin Internet gemeengoed is geworden. Wat ook prettig was bij Submarine: iedereen daar was rond de vijfentwintig, ze waren niet met dezelfde geschiedenis belast. Ze wisten natuurlijk allemaal wie James Brown en John Travolta waren, maar ze hadden daar niet dezelfde associaties mee. Ze keken en dachten mee en daardoor behoedden ze mij voor de valkuil van nostalgie. De site moest relevant zijn voor nú. Het boek ook. SK — Geen nostalgische gevoelens tegenover David? CK — Nee. Kijk: mijn boek gaat over een vriend die dood is en is dus een poging om hem levend te houden. Dat is anders dan nostalgie. Ik zwelg niet in mijn heimwee naar hem, ik maak hem levend. Dat is de drijfveer achter de roman. Maar op een heel ander vlak: Internet, zo’n site met veel herinneringen, is voer voor een generatie mannen vooral, van mijn leeftijd, halverwege de veertig, die ‘s avonds na het werk tijd hebben en lekker gaan zwelgen in de muziek en boeken en film’s van hun jeugd. SK — Alleen mannen? CK — Dat is volgens mij een vrij dominante groep. En daar wil ik uitblijven. Want het gaat mij niet om het maken van een monument voor het verleden: dat is een vorm van nostalgie die nieuwkomers uitsluit. Interessant wordt het pas als de popcultuur openligt voor iedereen om te gebruiken. Ik geloof dat iedereen, zowel binnen als buiten Amerika, een beeld heeft van de werkelijkheid van Amerika, maar tegelijkertijd wordt je van jongs af aan geïmpregneerd met het imago van dat land, van Texas en de woestijn en de cowboys, of Los Angeles en Hollywood en Sunset Boulevard, of New York – SK — Of New Jersey…. CK — (lacht) Ja, New Jersey, of New Orleans, of Miami… maar goed, iedereen kiest een beeld of beelden wat hem het meest intrigeert. Daar kan je op voortborduren. Daarom denk ik dat die site, die voortdurend dat soort iconen pakt – zoals Martin Luther King, of Batman, of Richard Brautigan, of Liza Minelli – ook leuk kan zijn voor zoveel mogelijk mensen. Hoe het werkt zag je ook heel goed bij de aflevering over disco. Toen heb ik een aantal mensen die ik ken over de hele wereld gevraagd hoe Saturday Night Fever bij hun uitpakte. Dan krijg je verhalen uit Cameroen, Malaysië, Portugal, Belgrado, over hoe op al die plekken die film opwinding veroorzaakte, hoe al die jongens in witte broeken met wijde pijpen gingen lopen en al die pasjes gingen leren, hoe het bij ze allemaal een soort revolutie in hun prille liefdesleven betekende, maar wel elk op een eigen manier. Ik vind het een leuke manier van omgaan met popcultuur, dus het niet te beschouwen als het eigendom van iemand anders, maar als iedereen zijn eigendom, een soort collectief geheugen. Ik ben natuurlijk ook wel kritisch over de manier waarop Amerikaanse massacultuur de rest van de wereld overspoelt, maar ik hou daar teveel van om het te willen negeren. Ik kan er ook voor kiezen om nooit naar een Amerikaanse film te gaan. Maar je moet er wel naartoe gaan en daar je eigen verhaal van maken. Dat is de beste manier om in een maatschappij die toch bol staat van de massacultuur jezelf te verweren. SK — De website is, qua vormgeving, heel sierlijk en gepolijst. Werkte dat uitnodigend of juist intimiderend voor mensen die eventueel een eigen bijdrage wilde leveren? Want de bezoeker werd wel aangemoedigd om mee te doen. CK — Dat is wel een probleem geweest. Je hebt ruwweg twee groepen internetgebruikers: één is de literair aangelegde type die er gewoon niet gewend is om stukken voor een website te schrijven. De andere is wel gewend om te chatten en MSN-en en in discussiegroepen mee te doen, maar die vond deze site blijkbaar te chique. Ik heb van verschillende mensen gehoord dat ze meteen iets hadden om op te schrijven, maar het niet durfde. Het was te hoogdrempelig. De actieve deelname van mensen had dus nog veel hoger kunnen zijn. Dat hoorde ik bij heel veel vergelijkbare sites, maar het was voor mij geen reden om het los te laten, hoor. Het was een extra reden om juist te blijven doorgaan. |
SK — Wat voor reacties heb je gehad over de inhoud van de website? CK — Ik kreeg zeker in het begin ook boze reacties van mensen die zeiden dat het Amerika-bashing was. Want hij ging de lucht in op het moment van de oorlog in Irak, dus op het hoogtepunt van het anti-Amerikanisme. Ik heb de eerste aflevering online gezet terwijl ik in Salzburg aan een conferentie meedeed over de verstoorde verhouding tussen Amerika en Europa. Dus terwijl we de ene dag druk bezig waren om hardhorende Amerikanen duidelijk te maken waarom intelligente Europeanen tegen Amerika kunnen zijn, was ik daar in die prachtige bibliotheek van die Salzburg Kasteel bezig mijn Amerikaanse website op te zetten! Ik had in het begin de neiging om elke onderwerp een draai te geven wat kritisch was op Amerika. Daar waren een aantal mensen niet tevreden over en dat vond ik voor een deel ook wel terecht, want het wordt flauw als je elke keer wel je fascinatie uitspreekt maar vervolgens zegt, ja, maar het deugt tóch niet. Ik probeerde het op een gegeven moment een beetje in balans te houden, veel meer af te wisselen. SK — Als ik je hoor praten, hoor ik niet alleen een fascinatie of belangstelling voor Amerika, maar ook iets liefdevols. CK — Ja, en in dat boek is het zeker ook zo. Het boek is echt een roman, hè, het is niet mijn levensverhaal. Maar het ís het levensverhaal van een jongen die door toeval op Amerikaanse scholen in de tropen wordt opgeleid, tot Amerikaans patriot. In mijn geval was dat extreem zo, maar dat is voor veel niet-Amerikanen het geval. Daarna maak je een logische ontwikkeling door, op middelbare school en universiteit leer je de schaduwkant van Amerika kennen, raak je kritisch op de buitenlandse politiek en op massacultuur en over de domheid van veel Amerikanen. Mijn roman gaat over de haat-liefde verhouding en die zijn werkelijk ook heel sterk allebei – en in mijn geval nooit één kant opgeslagen. In de roman zit ook een episode waarin ik nachtportier ben van de CPN, de Communistische Partij in Amsterdam. Ik schrijf voor De waarheid, de Communistische krant. In de jaren 80. Anti-Amerikaanser kon het niet! Tegelijkertijd beschrijf ik hoe ik op de televisie de hoorzittingen van Oliver North en Irongate volg en een zekere sympathie voor dat mannetje in het uniform niet kan onderdrukken, omdat hij voor een onschokbaar soort braaf Amerikanisme wat mij ook ontroerd. SK — Heeft David, die Amerikaan die jij nooit geweest bent, niet een dergelijke ontwikkeling meegemaakt? CK — David, zowel de echte als de fictieve, was een wonderlijke jongen met een heel klassieke Amerikaanse opvoeding in suburban New Jersey, Cranford. Hij zat op de Boy Scouts en speelde honkbal en hij hield van Bruce Springsteen. Hij was echt een archetypische Amerikaanse jongen van de jaren 60- en 70. Alleen, halverwege zijn studie literatuur aan de Ivy League, wilde hij weg. Naar Europa, naar de Oude Wereld. Weg van Amerika, weg van de glanzende toekomst die voor hem klaar lag. Hij vertrok naar Londen, om zanger te worden in een punk band – hij was een jaar of twintig – en hij is daar gebleven. Dus hij keerde zich helemaal af van zijn Amerikaanse opvoeding, althans dat probeerde hij, want die krijg je nooit helemaal out of your system. SK — Jullie vriendschap is de kern van De Amerikaan die ik nooit geweest ben. Achterin het boek, in het dankwoord, schrijf je, ‘David was een vriend zoals ik er nog nooit een gehad heb’. Waaruit bestond die vriendschap? Wat trokken jullie in elkaar aan? CK — We waren allebei net dertig, hadden allebei onze eerste boek af. David kwam uit New Jersey en ik heb me altijd verbeeld dat ik uit New Jersey kwam. Daar speelde mijn lievelingsstrip zich af, Archie. Het was gewoon mijn plek, terwijl ik daar nooit echt gewoond had. David en ik hadden dezelfde smaak in popmuziek – vooral slechte popmuziek – en film’s en boeken. Qua karakter waren we heel verschillend: hij was extrovert, ik ben vrij gereserveerd. Maar allebei hadden we het gevoel altijd weg te willen naar de plek waar je niet bent. Wat dat betreft is De Amerikaan ook een roman over thuis en over vaderland en hoe de ene personage dat overal zoekt en nergens vindt, omdat het alleen maar in zijn verbeelding staat, en de andere probeert eraan te ontsnappen, maar ontsnapt er niet aan. SK — Je weet uiteraard dat het heel grappig is voor een New Yorker om te horen dat een Nederlander zulke warme gevoelens voor New Jersey koestert. Of all places. CK — New Jersey verhoudt zich tot New York als Zaandam tot Amsterdam. Als er hier een Amerikaan bij mij zou langskomen en die zou zeggen dat hij altijd gedroomd heeft dat hij uit Zaandam kwam, zou ik hem ook een beetje schamper aankijken. Dat heb ik natuurlijk in NY ook meegemaakt. Ik ben in de loop van dit hele project absoluut nog meer gefascineerd geraakt door Amerika dan ik al was. Het was in zekere zin een soort werkelijke, persoonlijke vorm van thuiskomen, en dus ook van de droom doorbreken. Want ik heb geen mythe meer, en dat is veel beter. Ik heb nu een veel realistischer beeld van New Jersey, en dat is veel beter. New Jersey blijkt dan enerzijds die 'suburbia' te hebben waar ik als kind van hield – en nog steeds – maar ook uitersten van de werelden en van verval. Van natuur en van stad. Van steenrijke witte wijken tot keiharde zwarte getto’s. Dat heb je overal in Amerika, maar New Jersey is niet groot en toch herbergt het allerlei extremen vlak bovenop elkaar. Het was voor mij een heel mooie manier om het gemiddelde Amerika te leren kennen, niet de klassieke extremen die je veel vaker tegenkomt, zoals New York en Los Angeles, maar echt het gemiddelde Amerika. Zowel de zwarte getto’s van Newark als de vervallen badplaats Asbury Park als de lommerrijke suburbia van Cranford. Ik hou ook van de mensen daar – een mengeling van stoer, potig en hardwerkend. Ze hebben ook een minderwaardigheidscomplex vanwege New York, maar daar zit dan ook een soort zelfironie in. Ze weten dat ze slecht gekleed zijn, lelijke kapsels hebben, ‘niks voorstellen’, maar daar maken ze grappen over. SK — Er zitten natuurlijk ook veel ex-New Yorkers tussen. Toen ik dertien was gingen massa’s mensen daar wonen. Liever de kinderen in de ‘burbs’ laten opgroeien dan in die grote, gevaarlijke stad. CK — Dat is nog steeds zo. Kan je vergelijken met mensen uit Amsterdam naar Bussum of Haarlem verhuizen. Maar de echte New Jerseymensen hebben een heel grappige mengeling van trots en zelf-neerhalen. Ik vind het heel grappig om daarmee om te gaan. Ik ben dus enorm gehecht geraakt aan New Jersey. Ook omdat je op heel veel plekken in New Jersey ook kunt zien hoe het verschrikkelijk mis kan gaan in Amerika. In al die getto’s natuurlijk, maar ook die fascinerende Meadowlands, rondom de staat, waar veel chemische fabrieken hebben gestaan en nu één van de meest kankerverwekkende plekken van Amerika is. David, die daar in de buurt is opgegroeid, is doodgegaan aan hersenkanker. Zijn zusje is doodgegaan aan hersenkanker. Door dat gif. Dat kan niet anders. Zo zie je dus in een mensenleven de comfortabele suburbia en de dodelijke achterkant daarvan. SK — Dat doet me denken aan jouw ontdekking, na de dood van David, van zijn nooit gepubliceerde roman. Daarin schrijft hij over de dingen die hem werkelijk bezighield. Het was een kant van hem, een vrij zwarte kant, die jij nog niet gezien had. CK — Mijn ontdekking van David liep inderdaad heel parallel aan mijn ontdekking van Amerika. Aan de buitenkant was hij helemaal dat archetype van de all-American boy, en aan de andere kant was hij de tobberende twijfelaar. Ik was echt geschrokken toen ik die roman las, want hij maskeerde dat volledig. In die roman spreekt al zijn angst over de verwachtingen waar hij aan moet voldoen, en waar hij niet aan wil of kan voldoen. Het gekke is dat hij met die roman tegelijkertijd hoopte een geslaagde schrijver te worden, zodat hij een plaats kon veroveren in datzelfde prestatiegerichte Amerika. Maar het is niet gelukt en toen ging hij dood. Een fascinerend gegeven voor een roman – ik twijfel soms wel of ik dat echt zo goed gedaan heb. |
|
| The Ledge Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com Dank aan: De digitale pioniers en Het Prins Bernhard Cultuurfonds Ontwerp: Maurits de Bruijn |
Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs. |
||